Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2024-04-09
ECLI:NL:CRVB:2024:696
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
1,584 tokens
Inleiding
Datum uitspraak: 9 april 2024
21/2411 PW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 25 mei 2021, 20/2803
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)
Procesverloop
Namens appellante heeft mr. J.S. Vlieger, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Bij brief van 23 november 2021 heeft mr. Vlieger namens appellante het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het college te veroordelen in de proceskosten.
Het college heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid een verweerschrift in te dienen.
Onder toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Vastgesteld wordt dat mr. Vlieger namens appellante het hoger beroep heeft ingetrokken naar aanleiding van het besluit van het college van 4 oktober 2021, waarbij het college alsnog een vergoeding voor de gemaakte proceskosten in bezwaar heeft toegekend aan appellante. Hiermee is volledig aan de bezwaren van appellante tegemoetgekomen.
Het college wordt veroordeeld in de kosten die appellante in verband met de behandeling van het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De proceskosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 437,50 (1 punt voor het indienen van het hogerberoepschrift met een waarde per punt van € 875,- en een wegingsfactor 0,5). De Raad past een wegingsfactor licht (factor 0,5) toe omdat in hoger beroep alleen over de proceskostenvergoeding is geprocedeerd.
Ook dient het college het door appellante in hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep
veroordeelt het college in de proceskosten van appellante tot een bedrag van€ 437,50;
bepaalt dat het college aan appellante het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 134,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door M. Wolfrat, in tegenwoordigheid van A. Giesen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 april 2024.
(getekend) M. Wolfrat
(getekend) A. Giesen
Inleiding
Datum uitspraak: 9 april 2024
21/2411 PW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 25 mei 2021, 20/2803
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)
Procesverloop
Namens appellante heeft mr. J.S. Vlieger, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Bij brief van 23 november 2021 heeft mr. Vlieger namens appellante het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het college te veroordelen in de proceskosten.
Het college heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid een verweerschrift in te dienen.
Onder toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Vastgesteld wordt dat mr. Vlieger namens appellante het hoger beroep heeft ingetrokken naar aanleiding van het besluit van het college van 4 oktober 2021, waarbij het college alsnog een vergoeding voor de gemaakte proceskosten in bezwaar heeft toegekend aan appellante. Hiermee is volledig aan de bezwaren van appellante tegemoetgekomen.
Het college wordt veroordeeld in de kosten die appellante in verband met de behandeling van het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De proceskosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 437,50 (1 punt voor het indienen van het hogerberoepschrift met een waarde per punt van € 875,- en een wegingsfactor 0,5). De Raad past een wegingsfactor licht (factor 0,5) toe omdat in hoger beroep alleen over de proceskostenvergoeding is geprocedeerd.
Ook dient het college het door appellante in hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep
veroordeelt het college in de proceskosten van appellante tot een bedrag van€ 437,50;
bepaalt dat het college aan appellante het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 134,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door M. Wolfrat, in tegenwoordigheid van A. Giesen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 april 2024.
(getekend) M. Wolfrat
(getekend) A. Giesen