Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2024-03-22
ECLI:NL:CRVB:2024:651
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
2,288 tokens
Inleiding
232553 AOW
Datum uitspraak: 22 maart 2024
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 11 juli 2023, 22/4703 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] , Guercif (Marokko) (appellant)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
Zitting heeft: M.L. Noort, als lid van de enkelvoudige kamer.
Griffier: R.R. Olde Engberink.
Ter zitting van 22 maart is appellant niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. O.F.M. Vonk.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is in het openbaar uitgesproken. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
De Svb heeft met een besluit van 2 maart 2022, na bezwaar gewijzigd met een besluit van 25 augustus 2022 (bestreden besluit) aan appellant een ouderdomspensioen op grond van de AOW toegekend naar de norm van een gehuwde. Op het ouderdomspensioen is een korting toegepast van 84% wegens (afgerond) 42 niet-verzekerde jaren. De Svb heeft aanvaard dat appellant verzekerd is geweest voor de AOW van 24 september 1991 tot en met 3 oktober 1991 en van 15 maart 1992 tot en met 31 december 1999.
De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Niet in geschil is dat appellant in 1994 uit Nederland is vertrokken en met behoud van zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering in Marokko heeft gewoond. Tussen partijen staat ook niet ter discussie dat appellant op grond van de gewijzigde regelgeving vanaf 1 januari 2000 niet meer verzekerd was vanwege het ontvangen van een arbeidsongeschiktheidsuitkering. De vraag is nog of er aanknopingspunten zijn voor (meer) verzekerde tijdvakken in de periode van 1989 tot 15 maart 1992, aldus de rechtbank. Er zijn geen woongegevens verkregen over de periode vóór 15 maart 1992. Verder heeft de rechtbank overwogen dat de Svb geen andere perioden van verzekering op grond van werken in Nederland heeft kunnen vaststellen dan de periode van 24 september 1991 tot en met 3 oktober 1991, waarin appellant voor een uitzendbureau heeft gewerkt, en een periode vanaf 3 april 1992, waarin appellant al op grond van wonen in Nederland verzekerd was. De gegevens die appellant heeft verstrekt over het ontvangen van kinderbijslag leveren geen perioden van verzekering op, onder meer omdat appellant kinderbijslag heeft ontvangen in de perioden waarin al verzekering is aangenomen op grond van het ontvangen van een arbeidsongeschiktheidsuitkering. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de Svb goed uitgezocht welke perioden van verzekering meetellen voor het bepalen van de ouderdomsuitkering van appellant en is de korting van 84% juist vastgesteld.
Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Hij heeft hierbij gewezen op zijn financiële situatie.
De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Daarvoor is het volgende redengevend. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de motivering waarop dit berust en verwijst daarnaar. De Svb heeft onderzocht over welke tijdvakken appellant verzekerd kan worden geacht en de tijdvakken vastgesteld. Appellant heeft in beroep en hoger beroep geen verdere gegevens overgelegd waaruit blijkt dat het door de Svb voor appellant vastgestelde aantal verzekerde jaren onjuist zou zijn. De door appellant genoemde persoonlijke omstandigheden kunnen niet tot toekenning van een hoger ouderdomspensioen leiden. Er is dus geen reden om het besluit van de Svb voor onjuist te houden. De aangevallen uitspraak moet dan ook worden bevestigd.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
(getekend) R.R. Olde Engberink (getekend) M.L. Noort
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip verzekerde.
Algemene ouderdomswet.
Inleiding
232553 AOW
Datum uitspraak: 22 maart 2024
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 11 juli 2023, 22/4703 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] , Guercif (Marokko) (appellant)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
Zitting heeft: M.L. Noort, als lid van de enkelvoudige kamer.
Griffier: R.R. Olde Engberink.
Ter zitting van 22 maart is appellant niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. O.F.M. Vonk.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is in het openbaar uitgesproken. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
De Svb heeft met een besluit van 2 maart 2022, na bezwaar gewijzigd met een besluit van 25 augustus 2022 (bestreden besluit) aan appellant een ouderdomspensioen op grond van de AOW toegekend naar de norm van een gehuwde. Op het ouderdomspensioen is een korting toegepast van 84% wegens (afgerond) 42 niet-verzekerde jaren. De Svb heeft aanvaard dat appellant verzekerd is geweest voor de AOW van 24 september 1991 tot en met 3 oktober 1991 en van 15 maart 1992 tot en met 31 december 1999.
De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Niet in geschil is dat appellant in 1994 uit Nederland is vertrokken en met behoud van zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering in Marokko heeft gewoond. Tussen partijen staat ook niet ter discussie dat appellant op grond van de gewijzigde regelgeving vanaf 1 januari 2000 niet meer verzekerd was vanwege het ontvangen van een arbeidsongeschiktheidsuitkering. De vraag is nog of er aanknopingspunten zijn voor (meer) verzekerde tijdvakken in de periode van 1989 tot 15 maart 1992, aldus de rechtbank. Er zijn geen woongegevens verkregen over de periode vóór 15 maart 1992. Verder heeft de rechtbank overwogen dat de Svb geen andere perioden van verzekering op grond van werken in Nederland heeft kunnen vaststellen dan de periode van 24 september 1991 tot en met 3 oktober 1991, waarin appellant voor een uitzendbureau heeft gewerkt, en een periode vanaf 3 april 1992, waarin appellant al op grond van wonen in Nederland verzekerd was. De gegevens die appellant heeft verstrekt over het ontvangen van kinderbijslag leveren geen perioden van verzekering op, onder meer omdat appellant kinderbijslag heeft ontvangen in de perioden waarin al verzekering is aangenomen op grond van het ontvangen van een arbeidsongeschiktheidsuitkering. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de Svb goed uitgezocht welke perioden van verzekering meetellen voor het bepalen van de ouderdomsuitkering van appellant en is de korting van 84% juist vastgesteld.
Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Hij heeft hierbij gewezen op zijn financiële situatie.
De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Daarvoor is het volgende redengevend. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de motivering waarop dit berust en verwijst daarnaar. De Svb heeft onderzocht over welke tijdvakken appellant verzekerd kan worden geacht en de tijdvakken vastgesteld. Appellant heeft in beroep en hoger beroep geen verdere gegevens overgelegd waaruit blijkt dat het door de Svb voor appellant vastgestelde aantal verzekerde jaren onjuist zou zijn. De door appellant genoemde persoonlijke omstandigheden kunnen niet tot toekenning van een hoger ouderdomspensioen leiden. Er is dus geen reden om het besluit van de Svb voor onjuist te houden. De aangevallen uitspraak moet dan ook worden bevestigd.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
(getekend) R.R. Olde Engberink (getekend) M.L. Noort
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip verzekerde.
Algemene ouderdomswet.