Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2024-03-29
ECLI:NL:CRVB:2024:632
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
1,384 tokens
Inleiding
Datum uitspraak: 29 maart 2024
22/3392 AOW-V
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het verzet als bedoeld in de artikelen 8:55, zevende lid, en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 28 september 2022, 21/5403 (aangevallen uitspraak)
Partijen
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
Procesverloop
Naar aanleiding van het door appellant ingestelde hoger beroep, heeft de Raad bij uitspraak van 10 november 2023, 22/3392 AOW, de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 28 september 2022, 21/5403, bevestigd.
Tegen deze uitspraak van de Raad heeft appellant een verzetschrift ingediend.
Bij brief van 12 januari 2024 heeft de griffier van de Raad appellant meegedeeld dat tegen de uitspraak geen verzet mogelijk is omdat het geen uitspraak is als bedoeld in artikel 8:54, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Appellant is verzocht te laten weten of hij het verzetschrift handhaaft. Daarop heeft appellant – met zoveel woorden – laten weten dat hij het gedane verzet handhaaft.
Met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder c, van de Awb, gelezen in verbinding met artikel 8:108, eerste lid, van de Awb, is een nader onderzoek ter zitting achterwege gelaten, waarna het onderzoek is gesloten.
Overwegingen
1. Appellant heeft een verzetschrift ingediend tegen de vermelde uitspraak van 10 november 2023. Dit betreft een uitspraak als bedoeld in artikel 8:113, eerste lid, van de Awb. Het betreft geen uitspraak als bedoeld in artikel 8:54, tweede lid, van de Awb waartegen een belanghebbende verzet kan doen op grond van artikel 8:55, eerste lid, van de Awb.
2. De Raad stelt vast dat artikel 8:55, eerste lid, van de Awb noch enig ander wettelijk voorschrift de mogelijkheid biedt verzet te doen tegen een uitspraak als hier aan de orde. Dat wat appellant heeft aangevoerd, kan hier niet aan afdoen.
3. Dit betekent dat de Raad zich onbevoegd zal verklaren. Aan het verzoek om een prejudiciële vraag te stellen in de zin van artikel 267 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie komt de Raad om die reden niet toe.
4. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep verklaart zich onbevoegd.
Deze uitspraak is gedaan door Y. Sneevliet, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 maart 2024.
(getekend) Y. Sneevliet
(getekend) P.W.J. Hospel
Inleiding
Datum uitspraak: 29 maart 2024
22/3392 AOW-V
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het verzet als bedoeld in de artikelen 8:55, zevende lid, en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 28 september 2022, 21/5403 (aangevallen uitspraak)
Partijen
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
Procesverloop
Naar aanleiding van het door appellant ingestelde hoger beroep, heeft de Raad bij uitspraak van 10 november 2023, 22/3392 AOW, de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 28 september 2022, 21/5403, bevestigd.
Tegen deze uitspraak van de Raad heeft appellant een verzetschrift ingediend.
Bij brief van 12 januari 2024 heeft de griffier van de Raad appellant meegedeeld dat tegen de uitspraak geen verzet mogelijk is omdat het geen uitspraak is als bedoeld in artikel 8:54, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Appellant is verzocht te laten weten of hij het verzetschrift handhaaft. Daarop heeft appellant – met zoveel woorden – laten weten dat hij het gedane verzet handhaaft.
Met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder c, van de Awb, gelezen in verbinding met artikel 8:108, eerste lid, van de Awb, is een nader onderzoek ter zitting achterwege gelaten, waarna het onderzoek is gesloten.
Overwegingen
1. Appellant heeft een verzetschrift ingediend tegen de vermelde uitspraak van 10 november 2023. Dit betreft een uitspraak als bedoeld in artikel 8:113, eerste lid, van de Awb. Het betreft geen uitspraak als bedoeld in artikel 8:54, tweede lid, van de Awb waartegen een belanghebbende verzet kan doen op grond van artikel 8:55, eerste lid, van de Awb.
2. De Raad stelt vast dat artikel 8:55, eerste lid, van de Awb noch enig ander wettelijk voorschrift de mogelijkheid biedt verzet te doen tegen een uitspraak als hier aan de orde. Dat wat appellant heeft aangevoerd, kan hier niet aan afdoen.
3. Dit betekent dat de Raad zich onbevoegd zal verklaren. Aan het verzoek om een prejudiciële vraag te stellen in de zin van artikel 267 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie komt de Raad om die reden niet toe.
4. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep verklaart zich onbevoegd.
Deze uitspraak is gedaan door Y. Sneevliet, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 maart 2024.
(getekend) Y. Sneevliet
(getekend) P.W.J. Hospel