Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2024-01-18
ECLI:NL:CRVB:2024:558
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
2,060 tokens
Inleiding
Datum uitspraak: 18 januari 2024
23/1664 BPW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het geding tussen:
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
Procesverloop
Bij brief van 9 juli 2021 heeft appellant bezwaar gemaakt tegen de beschikking van de Svb van 2 juni 2021 op grond van de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945 (Wbp).
Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de Svb van 21 januari 2022, waarbij de Svb het bezwaar tegen de beschikking ongegrond heeft verklaard.
Overwegingen
Ingevolge de artikelen 6:7, 6:8, 6:9 en 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geldt het volgende.
De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt zes weken. Deze termijn gaat in met ingang van de dag na die waarop het bestreden besluit door middel van toezending aan de belanghebbende is bekendgemaakt.
Een beroepschrift is tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. Bij verzending per post is een beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.
Het besluit waartegen beroep is ingesteld is bij brief van 21 januari 2022 aan appellant bekendgemaakt.
Het beroepschrift is op 1 juni 2023 ontvangen.
Op grond hiervan moet worden geoordeeld dat het beroepschrift niet tijdig is ingediend.
Ten aanzien van een na afloop van de beroepstermijn ingediend beroepschrift blijft niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
Bij brief van 16 juni 2023 is aan appellant gevraagd naar de reden van de termijnoverschrijding.
Appellant heeft daarop bij brief van 20 juni 2023 geantwoord dat hij zeer warrig was, dat hij onder andere last had van pijn en angsten, en dat het schrijven van het beroepschrift daardoor moeilijk ging.
Dit is geen verontschuldiging voor dit verzuim. Het is de verantwoordelijkheid van appellant om tijdig beroep in te stellen. Het besluit waartegen appellant beroep heeft ingesteld, is van 21 januari 2022. Pas anderhalf jaar later (1 juni 2023) heeft appellant beroep ingesteld. Op de kopie van het besluit van 21 januari 2022 is een hand geschreven aantekening leesbaar, die vervolgens is doorgestreept. De tekst luidt: “21-1 + 6 weken – 1-3!”. Hieruit blijkt dat het appellant duidelijk was dat hij voor 1 maart 2022 beroep had moeten instellen.
Deze omstandigheden brengen met zich dat de enkele verklaring van appellant dat hij warrig was geen verschoonbare omstandigheid is voor het te laat indienen van het beroep. Hij was dus in verzuim.
Het beroep is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de Raad het beroep niet inhoudelijk beoordeelt en dat het bestreden besluit in stand blijft. Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de Raad uitspraak zonder zitting.
Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. Y. Sneevliet, in tegenwoordigheid van A. Giesen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 januari 2024.
Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de verzending van het afschrift van deze uitspraak schriftelijk verzet doen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA UTRECHT. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld te worden gehoord.
Inleiding
Datum uitspraak: 18 januari 2024
23/1664 BPW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het geding tussen:
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
Procesverloop
Bij brief van 9 juli 2021 heeft appellant bezwaar gemaakt tegen de beschikking van de Svb van 2 juni 2021 op grond van de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945 (Wbp).
Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de Svb van 21 januari 2022, waarbij de Svb het bezwaar tegen de beschikking ongegrond heeft verklaard.
Overwegingen
Ingevolge de artikelen 6:7, 6:8, 6:9 en 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geldt het volgende.
De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt zes weken. Deze termijn gaat in met ingang van de dag na die waarop het bestreden besluit door middel van toezending aan de belanghebbende is bekendgemaakt.
Een beroepschrift is tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. Bij verzending per post is een beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.
Het besluit waartegen beroep is ingesteld is bij brief van 21 januari 2022 aan appellant bekendgemaakt.
Het beroepschrift is op 1 juni 2023 ontvangen.
Op grond hiervan moet worden geoordeeld dat het beroepschrift niet tijdig is ingediend.
Ten aanzien van een na afloop van de beroepstermijn ingediend beroepschrift blijft niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
Bij brief van 16 juni 2023 is aan appellant gevraagd naar de reden van de termijnoverschrijding.
Appellant heeft daarop bij brief van 20 juni 2023 geantwoord dat hij zeer warrig was, dat hij onder andere last had van pijn en angsten, en dat het schrijven van het beroepschrift daardoor moeilijk ging.
Dit is geen verontschuldiging voor dit verzuim. Het is de verantwoordelijkheid van appellant om tijdig beroep in te stellen. Het besluit waartegen appellant beroep heeft ingesteld, is van 21 januari 2022. Pas anderhalf jaar later (1 juni 2023) heeft appellant beroep ingesteld. Op de kopie van het besluit van 21 januari 2022 is een hand geschreven aantekening leesbaar, die vervolgens is doorgestreept. De tekst luidt: “21-1 + 6 weken – 1-3!”. Hieruit blijkt dat het appellant duidelijk was dat hij voor 1 maart 2022 beroep had moeten instellen.
Deze omstandigheden brengen met zich dat de enkele verklaring van appellant dat hij warrig was geen verschoonbare omstandigheid is voor het te laat indienen van het beroep. Hij was dus in verzuim.
Het beroep is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de Raad het beroep niet inhoudelijk beoordeelt en dat het bestreden besluit in stand blijft. Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de Raad uitspraak zonder zitting.
Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. Y. Sneevliet, in tegenwoordigheid van A. Giesen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 januari 2024.
Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de verzending van het afschrift van deze uitspraak schriftelijk verzet doen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA UTRECHT. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld te worden gehoord.