Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2024-01-09
ECLI:NL:CRVB:2024:55
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Wraking
2,594 tokens
Procesverloop
Verzoeker heeft verzocht om herziening van de uitspraak van de Raad van 1 februari 2023 in het geding tussen verzoeker en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
Tijdens het onderzoek ter zitting op 15 november 2023 heeft verzoeker verzocht om wraking van mr. H.G. Rottier, lid van de enkelvoudige kamer (behandelend rechter). Hierna is het onderzoek ter zitting geschorst.
De behandelend rechter heeft op het wrakingsverzoek gereageerd en te kennen gegeven niet in de wraking te berusten.
Het verzoek is op 19 december 2023 ter zitting behandeld. Verzoeker is verschenen. De behandelend rechter heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid te worden gehoord.
Overwegingen
1. Artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht bepaalt dat op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen, kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
2. Verzoeker heeft aan zijn verzoek om wraking ten grondslag gelegd dat de behandelend rechter drie keer eerder zijn zaak heeft behandeld en dat hij hierbij ten onrechte steeds bepaalde door hem ingebrachte stukken niet bij de beoordeling heeft betrokken.
3. De Raad komt tot het oordeel dat hetgeen verzoeker heeft aangevoerd geen blijk geeft van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt.
3.1.
Een wrakingsgrond moet zijn gelegen in feiten of omstandigheden die betrekking hebben op (de persoon van) de rechter die de zaak behandelt. Bij een beoordeling van een beroep op het ontbreken van de onpartijdigheid van de rechter dient het uitgangspunt te zijn dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing vormt voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat bij een rechtzoekende dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.
3.2.
Uit de eerdere uitspraken in zaken van verzoeker blijkt dat de behandelend rechter niet bij drie maar (slechts) bij één van die uitspraken betrokken is geweest. In zoverre missen de stellingen van verzoeker dus feitelijke grondslag. Bovendien is het vaste rechtspraak van de Raad dat de enkele omstandigheid dat een rechter eerder heeft geoordeeld in een zaak van eenzelfde partij geen grond vormt voor twijfel aan zijn onpartijdigheid.
3.3.
De stelling van verzoeker dat de behandelend rechter in de eerdere procedure door verzoeker ingebrachte stukken niet of onvoldoende bij de beoordeling heeft betrokken, leidt evenmin tot toewijzing van het wrakingsverzoek. Het is aan de rechter die een zaak behandelt om te beslissen of en zo ja op welke wijze bepaalde stukken bij de beoordeling moeten worden betrokken. Het wrakingsmiddel is niet bedoeld om een dergelijke beslissing ter discussie te stellen.
3.4.
Gelet op hetgeen verzoeker heeft aangevoerd acht de Raad het ook van belang om te benadrukken dat wanneer een behandelend rechter het bijzondere karakter van een herzieningsprocedure uiteenzet en betrokkene kritisch de vraag voorhoudt of sprake is van feiten en omstandigheden op grond waarvan volgens de wet een herzieningsverzoek kan worden toegewezen, dit geen aanwijzing vormt voor vooringenomenheid. Een dergelijke wijze van behandeling impliceert niet dat de behandelend rechter zijn oordeel al op voorhand heeft gevormd en maakt dan ook niet dat er sprake is van een zwaarwegende aanwijzing voor het oordeel dat hij vooringenomen is. Uit het proces-verbaal is daarnaast gebleken dat verzoeker ruim de gelegenheid heeft gehad zijn standpunten over de gewenste herziening uiteen te zetten.
4. Uit 3.1 tot en met 3.4 volgt dat het verzoek om wraking moet worden afgewezen.
5. Het verzoek van verzoeker om toezending van het proces-verbaal van de wrakingszitting, bij voorkeur in de vorm van een woordelijk verslag, wordt afgewezen, omdat niet is gebleken dat verzoeker daar voldoende belang bij heeft.
6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding
Dictum
De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om wraking af.
Deze beslissing is gegeven door M.A.H. van Dalen-van Bekkum als voorzitter en E.C.E. Marechal en J.J. Janssen als leden, in tegenwoordigheid van R.R. Olde Engberink als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 januari 2024.
De griffier De voorzitter
(getekend) R.R. Olde Engberink (getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum
Uitspraak van 1 februari 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:275.
Zie onder meer het arrest van de Hoge Raad van 21 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM9141.
Zie bijvoorbeeld de beslissing van 5 september 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3275.
Zie bijvoorbeeld de beslissing van 17 maart 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:869.
Procesverloop
Verzoeker heeft verzocht om herziening van de uitspraak van de Raad van 1 februari 2023 in het geding tussen verzoeker en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
Tijdens het onderzoek ter zitting op 15 november 2023 heeft verzoeker verzocht om wraking van mr. H.G. Rottier, lid van de enkelvoudige kamer (behandelend rechter). Hierna is het onderzoek ter zitting geschorst.
De behandelend rechter heeft op het wrakingsverzoek gereageerd en te kennen gegeven niet in de wraking te berusten.
Het verzoek is op 19 december 2023 ter zitting behandeld. Verzoeker is verschenen. De behandelend rechter heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid te worden gehoord.
Overwegingen
1. Artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht bepaalt dat op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen, kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
2. Verzoeker heeft aan zijn verzoek om wraking ten grondslag gelegd dat de behandelend rechter drie keer eerder zijn zaak heeft behandeld en dat hij hierbij ten onrechte steeds bepaalde door hem ingebrachte stukken niet bij de beoordeling heeft betrokken.
3. De Raad komt tot het oordeel dat hetgeen verzoeker heeft aangevoerd geen blijk geeft van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt.
3.1.
Een wrakingsgrond moet zijn gelegen in feiten of omstandigheden die betrekking hebben op (de persoon van) de rechter die de zaak behandelt. Bij een beoordeling van een beroep op het ontbreken van de onpartijdigheid van de rechter dient het uitgangspunt te zijn dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing vormt voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat bij een rechtzoekende dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.
3.2.
Uit de eerdere uitspraken in zaken van verzoeker blijkt dat de behandelend rechter niet bij drie maar (slechts) bij één van die uitspraken betrokken is geweest. In zoverre missen de stellingen van verzoeker dus feitelijke grondslag. Bovendien is het vaste rechtspraak van de Raad dat de enkele omstandigheid dat een rechter eerder heeft geoordeeld in een zaak van eenzelfde partij geen grond vormt voor twijfel aan zijn onpartijdigheid.
3.3.
De stelling van verzoeker dat de behandelend rechter in de eerdere procedure door verzoeker ingebrachte stukken niet of onvoldoende bij de beoordeling heeft betrokken, leidt evenmin tot toewijzing van het wrakingsverzoek. Het is aan de rechter die een zaak behandelt om te beslissen of en zo ja op welke wijze bepaalde stukken bij de beoordeling moeten worden betrokken. Het wrakingsmiddel is niet bedoeld om een dergelijke beslissing ter discussie te stellen.
3.4.
Gelet op hetgeen verzoeker heeft aangevoerd acht de Raad het ook van belang om te benadrukken dat wanneer een behandelend rechter het bijzondere karakter van een herzieningsprocedure uiteenzet en betrokkene kritisch de vraag voorhoudt of sprake is van feiten en omstandigheden op grond waarvan volgens de wet een herzieningsverzoek kan worden toegewezen, dit geen aanwijzing vormt voor vooringenomenheid. Een dergelijke wijze van behandeling impliceert niet dat de behandelend rechter zijn oordeel al op voorhand heeft gevormd en maakt dan ook niet dat er sprake is van een zwaarwegende aanwijzing voor het oordeel dat hij vooringenomen is. Uit het proces-verbaal is daarnaast gebleken dat verzoeker ruim de gelegenheid heeft gehad zijn standpunten over de gewenste herziening uiteen te zetten.
4. Uit 3.1 tot en met 3.4 volgt dat het verzoek om wraking moet worden afgewezen.
5. Het verzoek van verzoeker om toezending van het proces-verbaal van de wrakingszitting, bij voorkeur in de vorm van een woordelijk verslag, wordt afgewezen, omdat niet is gebleken dat verzoeker daar voldoende belang bij heeft.
6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding
Dictum
De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om wraking af.
Deze beslissing is gegeven door M.A.H. van Dalen-van Bekkum als voorzitter en E.C.E. Marechal en J.J. Janssen als leden, in tegenwoordigheid van R.R. Olde Engberink als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 januari 2024.
De griffier De voorzitter
(getekend) R.R. Olde Engberink (getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum
Uitspraak van 1 februari 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:275.
Zie onder meer het arrest van de Hoge Raad van 21 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM9141.
Zie bijvoorbeeld de beslissing van 5 september 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3275.
Zie bijvoorbeeld de beslissing van 17 maart 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:869.