Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2024-03-06
ECLI:NL:CRVB:2024:481
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
7,724 tokens
Inleiding
23/2200 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 2 juni 2023, 22/3408 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)
Datum uitspraak: 6 maart 2024
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van betrokkene in de zin van de Wet WIA terecht met ingang van 14 december 2021 heeft vastgesteld op 41,85%. Daarbij is de vraag aan de orde of de rechtbank het beroep van betrokkene terecht gegrond heeft verklaard, omdat het Uwv niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat betrokkene in staat is tot het verrichten van werkzaamheden op basis van de Functionele Mogelijkhedenlijst van 17 mei 2022.
Procesverloop
Het Uwv heeft hoger beroep ingesteld.
Namens betrokkene heeft mr. L.J.T. Hoksbergen, advocaat, een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 24 januari 2024. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Anandbahadoer. Betrokkene en mr. Hoksbergen zijn niet verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Betrokkene heeft voor het laatst gewerkt als Ondersteunend begeleider voor gemiddeld 31,95 uur per week. Op 17 december 2019 heeft zij zich ziekgemeld met klachten als gevolg van depressie en verslaving. Nadat betrokkene een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) had ingediend, heeft onderzoek plaatsgevonden door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige van het Uwv. De verzekeringsarts heeft vastgesteld dat betrokkene bij het verrichten van werkzaamheden beperkingen heeft en heeft die beperkingen neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 21 september 2021. De arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat betrokkene niet meer geschikt is voor haar laatste werk. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens voor betrokkene functies geselecteerd en een mate van arbeidsongeschiktheid berekend van 41,85%. Het Uwv heeft bij besluit van 15 oktober 2021 aan betrokkene met ingang van 14 december 2021 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet WIA toegekend.
1.2.
In de bezwaarfase hebben een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep onderzoek gedaan en rapporten opgesteld. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft een aangescherpte FML van 17 mei 2022 opgesteld. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft vastgesteld dat de voor betrokkene geselecteerde functies ook na aanscherping van de FML geschikt voor haar zijn. Het Uwv heeft op basis hiervan bij besluit van 24 mei 2022 (bestreden besluit) geen aanleiding gezien voor wijziging van zijn standpunt en het bezwaar van betrokkene ongegrond verklaard.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden
besluit vernietigd, het Uwv opgedragen nader onderzoek te laten doen door de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep en een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de uitspraak.
2.1.
De rechtbank heeft geoordeeld dat de inschatting van de ernst van de psychische problematiek door de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet in overeenstemming is met informatie uit de behandelend sector. De rechtbank heeft vastgesteld dat uit de ziektegeschiedenis van betrokkene volgt dat sprake is van chronische ernstige psychiatrische problematiek waarbij slechte en betere periodes elkaar afwisselen. Volgens de rechtbank is de kwalificatie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat de problematiek niet ernstig zou zijn daarmee niet in overeenstemming. Bij de nieuwe vaststelling van de FML dient volgens de rechtbank niet te worden uitgegaan van problematiek die niet ernstig is.
2.2.
De rechtbank heeft verder overwogen dat de motivering van de verzekeringsarts bezwaar en beroep bij item 1.8.1 (afleiding door activiteiten van anderen) onvoldoende is. In de FML van 17 mei 2022 staat vermeld dat het gaat om kleine ruimtes met meerdere mensen die veel lawaai kunnen maken. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft (in het rapport van 16 januari 2023) toegelicht dat in een kleine ruimte de prikkels en afleiding sneller oplopen en eerder tot overprikkeling leiden dan in een grote ruimte, gezien de intensiteit van de uitwendige prikkels in een beperkte ruimte. Volgens de rechtbank wil dit echter niet zeggen dat in een grote ruimte geen sprake zal zijn van overprikkeling.
2.3.
De rechtbank heeft verder geoordeeld dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep onvoldoende heeft gemotiveerd dat bij betrokkene een urenbeperking van ongeveer 20 uur en maximaal 25 uur per week en ongeveer 4 uur per dag en maximaal 5 uur per dag aan de orde is. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat het zeer twijfelachtig is of betrokkene, zoals de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft opgemerkt, zelf invulling zou kunnen geven aan het aantal te werken uren. Daarnaast is het de ambtshalve ervaring van de rechtbank dat (nagenoeg) altijd, zonder een bandbreedte, een concreet maximum aan uren wordt genoemd in de FML. Nu er blijkbaar onduidelijkheid is over het maximum aantal te werken uren heeft de rechtbank geoordeeld dat in het voordeel van betrokkene het maximaal aantal uren gesteld moet worden op 20 uur per week. Deze beperking komt volgens de rechtbank ook overeen met de overweging van de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport van 17 mei 2022 dat bij betrokkene immers sprake is van een verstoorde energiehuishouding als gevolg van te groot energieverbruik, samenhangend met de stemmings- en PTSS-problematiek en dat dit psychiatrisch ziektebeeld leidt tot een cumulatie van psychische belasting en langdurig verhoogde recuperatiebehoefte.
2.4.
De rechtbank heeft, alhoewel zij de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet helemaal volgt in de gegeven motivering, geen aanleiding gezien om het beroep gegrond te verklaren ten aanzien van het aspect of betrokkene nu wel of niet verslaafd is geboren, omdat betrokkene geen medisch stuk heeft ingebracht ten aanzien van dit aspect.
Het standpunt van het Uwv
3.1.
Het Uwv is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Het Uwv heeft aangevoerd dat de in de FML van 17 mei 2022 opgenomen beperkingen juist zijn. Ter onderbouwing van dat standpunt heeft het Uwv verwezen naar een rapport van 11 juli 2023 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Daarin heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep, mede onder verwijzing naar de eerder door haar opgestelde rapporten van 17 mei 2022, 8 september 2022 en 16 januari 2023, het volgende opgemerkt.
3.1.1.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft benadrukt dat de verzekeringsartsen uitvoerig aandacht hebben besteed aan de klachten van betrokkene, het beloop hiervan, de ervaren belemmeringen en behandeling. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft erop gewezen dat zij in het rapport van 17 mei 2022 bij de heroverweging medische gegevens van de behandelend sector heeft betrokken. Uit geen medisch stuk komt naar voren dat er bij betrokkene op en rond de datum in geding sprake is van een ernstig psychiatrisch toestandsbeeld gepaard gaande met medisch objectiveerbare manifeste ernstige psychiatrische pathologie, zoals somberheid, vertraagde psychomotoriek of evident beperkte concentratie. Ook het beeld beschreven in de medische informatie van 11 november 2020 van de psychiater werd door de verzekeringsarts niet gevonden bij het psychisch onderzoek op het spreekuur op 21 september 2021 en werd evenmin aangetroffen op de hoorzitting in de bezwaarprocedure. Aanvullende medische informatie of medisch objectiveerbare feiten die erop zouden moeten duiden dat aard en ernst van de psychische problematiek op de datum in geding onjuist beoordeeld is, werden door betrokkene niet ingebracht. Het gegeven dat betrokkene psychiatrisch belast is met middelenmisbruik en meerdere opnames in het verleden is geen aanleiding om direct over te gaan tot de stelling dat er op de datum in geding sprake was van een ernstig psychiatrisch ziektebeeld. Daar komt volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep bij dat een behandeling op en rond de datum in geding niet wijst op een ernstig psychiatrisch ziektebeeld. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft benadrukt dat het hebben van klachten niet doorslaggevend is voor de aanname van beperkingen en dat ook de ernst van een diagnose geen graad en maat is voor de ernst van de beperkingen.
3.1.2.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft nader gemotiveerd dat de door haar bij item 1.8.1 van de FML gegeven toelichting is toegespitst op de specifieke medische situatie van betrokkene en in lijn is met de aard en de ernst van de geobjectiveerde psychische problematiek.
Beoordeling
4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het beroep van betrokkene gegrond heeft verklaard, het bestreden besluit heeft vernietigd en het Uwv heeft opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de uitspraak. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep van het Uwv slaagt.
4.1.
De Raad is, anders dan de rechtbank, van oordeel dat het Uwv een voldoende en deugdelijke motivering heeft gegeven voor de in de FML van 17 mei 2022 opgenomen beperkingen. Volstaan wordt met een verwijzing naar wat het Uwv daarover heeft opgemerkt in het, als bijlage bij het hogerberoepschrift gevoegde, rapport van 11 juli 2023 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Dit rapport is hiervoor uitgebreid samengevat weergegeven onder 3.1.1 tot en met 3.1.3. Hieruit volgt dat het bestreden besluit op een deugdelijke medische grondslag berust.
4.2.
Uit 4.1 volgt dat het hoger beroep slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Dat brengt in dit geval mee dat de hogerberoepsrechter de in beroep aangevoerde, en nog niet besproken, gronden van betrokkene over de geschiktheid van de voor haar geselecteerde functies zal bespreken.
4.3.1.
Uitgaande van de juistheid van de FML van 17 mei 2022 wordt geoordeeld dat het Uwv, met de motivering door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in het
Resultaat functiebeoordeling, voldoende heeft gemotiveerd dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht geschikt zijn voor betrokkene.
4.3.2.
Dat geldt ook voor de, specifiek door betrokkene in het aanvullend beroepschrift van 15 juli 2022 bestreden, motivering van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep bij de signalering bij item 2.6.1 (emotionele problemen van anderen hanteren) bij SBC-code 267041. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in het Resultaat functiebeoordeling gesteld dat sprake is van een routinematige productiefunctie, waarbij de contacten die de functionaris met anderen heeft zakelijk van aard zijn en bedoeld zijn om de voortgang van het productieproces te borgen. Daarmee is de kans gering dat betrokkene in een dergelijke omgeving geconfronteerd zal worden met emotionele problemen van anderen. In een rapport van 8 december 2022 heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep aanvullend gemotiveerd dat in het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem het item ‘emotionele problemen van anderen hanteren’ het evenwichtig omgaan is met emotionele problemen van anderen. Bij de beoordeling kijkt de arbeidsdeskundige in de functieomschrijving of er in contact met mensen moet worden gewerkt en zo ja, de mate waarin deze mensen in dat contact hun problemen etaleren en in hoeverre de medewerker moet acteren op deze problemen. In de (onder SBC-code 267041 vallende) functies komt de assembly worker A alleen in contact met collega’s. De contacten zijn zakelijk van aard. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft een toelichting gegeven op de door hem in het Resultaat functiebeoordeling opgenomen opmerking dat de kans gering is dat betrokkene geconfronteerd zal worden met emotionele problemen van anderen. Het is volgens de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep niet uitgesloten dat de functionaris een collega treft die om wat voor reden dan ook emotioneel is. Die kans is echter verwaarloosbaar omdat emotionele problemen van anderen hanteren niet inherent is aan de functie. Mocht het toch voorkomen, dan kan de functionaris zich er aan onttrekken zonder het werkproces in gevaar te brengen. Met de motivering in het Resultaat functiebeoordeling, aangevuld in het rapport van 8 december 2022, heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep inzichtelijk en overtuigend gemotiveerd dat de onder SBC-code 267041 vallende functies geschikt zijn voor betrokkene.
4.4.
Betrokkene heeft in het aanvullend beroepschrift van 15 juli 2022 betoogd dat SBC-code 267041 niet geselecteerd kan worden, omdat dat geen functie is met drie arbeidsplaatsen, maar twee functies met ieder twee arbeidsplaatsen. Dit betoog wordt niet gevolgd. In artikel 9, aanhef en onder a, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (Schattingsbesluit) staat (onder meer) vermeld dat de in aanmerking te nemen arbeid nader wordt omschreven in de vorm van ten minste drie verschillende functies, die ieder ten minste drie arbeidsplaatsen vertegenwoordigen. Uit de Nota van Toelichting bij het in 2004 gewijzigde Schattingsbesluit (Staatsblad 2004, 434) blijkt dat onder functies wordt verstaan ‘CBS-codes (de zogenaamde Standaard Beroepen Classificatie van het CBS)’, waarbij de Raad er van uitgaat dat de regelgever – in plaats van CBS-codes – SBC-codes heeft bedoeld. Het selecteren van SBC-code 267041, waaronder twee functies vallen met in totaal vier arbeidsplaatsen, is dus in overeenstemming met het Schattingsbesluit.
Conclusie
4.5.
Uit wat is overwogen in 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep van het Uwv slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. De Raad zal, gelet op wat onder 4.3 en 4.4 is overwogen, het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaren.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep
vernietigt de aangevallen uitspraak;
verklaart het beroep tegen het besluit van 24 mei 2022 ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door C.F.E. van Olden-Smit, in tegenwoordigheid van R. Jansen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 maart 2024.
(getekend) C.F.E. van Olden-Smit
(getekend) R. Jansen
Inleiding
23/2200 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 2 juni 2023, 22/3408 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)
Datum uitspraak: 6 maart 2024
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van betrokkene in de zin van de Wet WIA terecht met ingang van 14 december 2021 heeft vastgesteld op 41,85%. Daarbij is de vraag aan de orde of de rechtbank het beroep van betrokkene terecht gegrond heeft verklaard, omdat het Uwv niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat betrokkene in staat is tot het verrichten van werkzaamheden op basis van de Functionele Mogelijkhedenlijst van 17 mei 2022.
Procesverloop
Het Uwv heeft hoger beroep ingesteld.
Namens betrokkene heeft mr. L.J.T. Hoksbergen, advocaat, een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 24 januari 2024. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Anandbahadoer. Betrokkene en mr. Hoksbergen zijn niet verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Betrokkene heeft voor het laatst gewerkt als Ondersteunend begeleider voor gemiddeld 31,95 uur per week. Op 17 december 2019 heeft zij zich ziekgemeld met klachten als gevolg van depressie en verslaving. Nadat betrokkene een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) had ingediend, heeft onderzoek plaatsgevonden door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige van het Uwv. De verzekeringsarts heeft vastgesteld dat betrokkene bij het verrichten van werkzaamheden beperkingen heeft en heeft die beperkingen neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 21 september 2021. De arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat betrokkene niet meer geschikt is voor haar laatste werk. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens voor betrokkene functies geselecteerd en een mate van arbeidsongeschiktheid berekend van 41,85%. Het Uwv heeft bij besluit van 15 oktober 2021 aan betrokkene met ingang van 14 december 2021 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet WIA toegekend.
1.2.
In de bezwaarfase hebben een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep onderzoek gedaan en rapporten opgesteld. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft een aangescherpte FML van 17 mei 2022 opgesteld. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft vastgesteld dat de voor betrokkene geselecteerde functies ook na aanscherping van de FML geschikt voor haar zijn. Het Uwv heeft op basis hiervan bij besluit van 24 mei 2022 (bestreden besluit) geen aanleiding gezien voor wijziging van zijn standpunt en het bezwaar van betrokkene ongegrond verklaard.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden
besluit vernietigd, het Uwv opgedragen nader onderzoek te laten doen door de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep en een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de uitspraak.
2.1.
De rechtbank heeft geoordeeld dat de inschatting van de ernst van de psychische problematiek door de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet in overeenstemming is met informatie uit de behandelend sector. De rechtbank heeft vastgesteld dat uit de ziektegeschiedenis van betrokkene volgt dat sprake is van chronische ernstige psychiatrische problematiek waarbij slechte en betere periodes elkaar afwisselen. Volgens de rechtbank is de kwalificatie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat de problematiek niet ernstig zou zijn daarmee niet in overeenstemming. Bij de nieuwe vaststelling van de FML dient volgens de rechtbank niet te worden uitgegaan van problematiek die niet ernstig is.
2.2.
De rechtbank heeft verder overwogen dat de motivering van de verzekeringsarts bezwaar en beroep bij item 1.8.1 (afleiding door activiteiten van anderen) onvoldoende is. In de FML van 17 mei 2022 staat vermeld dat het gaat om kleine ruimtes met meerdere mensen die veel lawaai kunnen maken. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft (in het rapport van 16 januari 2023) toegelicht dat in een kleine ruimte de prikkels en afleiding sneller oplopen en eerder tot overprikkeling leiden dan in een grote ruimte, gezien de intensiteit van de uitwendige prikkels in een beperkte ruimte. Volgens de rechtbank wil dit echter niet zeggen dat in een grote ruimte geen sprake zal zijn van overprikkeling.
2.3.
De rechtbank heeft verder geoordeeld dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep onvoldoende heeft gemotiveerd dat bij betrokkene een urenbeperking van ongeveer 20 uur en maximaal 25 uur per week en ongeveer 4 uur per dag en maximaal 5 uur per dag aan de orde is. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat het zeer twijfelachtig is of betrokkene, zoals de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft opgemerkt, zelf invulling zou kunnen geven aan het aantal te werken uren. Daarnaast is het de ambtshalve ervaring van de rechtbank dat (nagenoeg) altijd, zonder een bandbreedte, een concreet maximum aan uren wordt genoemd in de FML. Nu er blijkbaar onduidelijkheid is over het maximum aantal te werken uren heeft de rechtbank geoordeeld dat in het voordeel van betrokkene het maximaal aantal uren gesteld moet worden op 20 uur per week. Deze beperking komt volgens de rechtbank ook overeen met de overweging van de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport van 17 mei 2022 dat bij betrokkene immers sprake is van een verstoorde energiehuishouding als gevolg van te groot energieverbruik, samenhangend met de stemmings- en PTSS-problematiek en dat dit psychiatrisch ziektebeeld leidt tot een cumulatie van psychische belasting en langdurig verhoogde recuperatiebehoefte.
2.4.
De rechtbank heeft, alhoewel zij de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet helemaal volgt in de gegeven motivering, geen aanleiding gezien om het beroep gegrond te verklaren ten aanzien van het aspect of betrokkene nu wel of niet verslaafd is geboren, omdat betrokkene geen medisch stuk heeft ingebracht ten aanzien van dit aspect.
Het standpunt van het Uwv
3.1.
Het Uwv is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Het Uwv heeft aangevoerd dat de in de FML van 17 mei 2022 opgenomen beperkingen juist zijn. Ter onderbouwing van dat standpunt heeft het Uwv verwezen naar een rapport van 11 juli 2023 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Daarin heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep, mede onder verwijzing naar de eerder door haar opgestelde rapporten van 17 mei 2022, 8 september 2022 en 16 januari 2023, het volgende opgemerkt.
3.1.1.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft benadrukt dat de verzekeringsartsen uitvoerig aandacht hebben besteed aan de klachten van betrokkene, het beloop hiervan, de ervaren belemmeringen en behandeling. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft erop gewezen dat zij in het rapport van 17 mei 2022 bij de heroverweging medische gegevens van de behandelend sector heeft betrokken. Uit geen medisch stuk komt naar voren dat er bij betrokkene op en rond de datum in geding sprake is van een ernstig psychiatrisch toestandsbeeld gepaard gaande met medisch objectiveerbare manifeste ernstige psychiatrische pathologie, zoals somberheid, vertraagde psychomotoriek of evident beperkte concentratie. Ook het beeld beschreven in de medische informatie van 11 november 2020 van de psychiater werd door de verzekeringsarts niet gevonden bij het psychisch onderzoek op het spreekuur op 21 september 2021 en werd evenmin aangetroffen op de hoorzitting in de bezwaarprocedure. Aanvullende medische informatie of medisch objectiveerbare feiten die erop zouden moeten duiden dat aard en ernst van de psychische problematiek op de datum in geding onjuist beoordeeld is, werden door betrokkene niet ingebracht. Het gegeven dat betrokkene psychiatrisch belast is met middelenmisbruik en meerdere opnames in het verleden is geen aanleiding om direct over te gaan tot de stelling dat er op de datum in geding sprake was van een ernstig psychiatrisch ziektebeeld. Daar komt volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep bij dat een behandeling op en rond de datum in geding niet wijst op een ernstig psychiatrisch ziektebeeld. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft benadrukt dat het hebben van klachten niet doorslaggevend is voor de aanname van beperkingen en dat ook de ernst van een diagnose geen graad en maat is voor de ernst van de beperkingen.
3.1.2.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft nader gemotiveerd dat de door haar bij item 1.8.1 van de FML gegeven toelichting is toegespitst op de specifieke medische situatie van betrokkene en in lijn is met de aard en de ernst van de geobjectiveerde psychische problematiek.
Beoordeling
4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het beroep van betrokkene gegrond heeft verklaard, het bestreden besluit heeft vernietigd en het Uwv heeft opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de uitspraak. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep van het Uwv slaagt.
4.1.
De Raad is, anders dan de rechtbank, van oordeel dat het Uwv een voldoende en deugdelijke motivering heeft gegeven voor de in de FML van 17 mei 2022 opgenomen beperkingen. Volstaan wordt met een verwijzing naar wat het Uwv daarover heeft opgemerkt in het, als bijlage bij het hogerberoepschrift gevoegde, rapport van 11 juli 2023 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Dit rapport is hiervoor uitgebreid samengevat weergegeven onder 3.1.1 tot en met 3.1.3. Hieruit volgt dat het bestreden besluit op een deugdelijke medische grondslag berust.
4.2.
Uit 4.1 volgt dat het hoger beroep slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Dat brengt in dit geval mee dat de hogerberoepsrechter de in beroep aangevoerde, en nog niet besproken, gronden van betrokkene over de geschiktheid van de voor haar geselecteerde functies zal bespreken.
4.3.1.
Uitgaande van de juistheid van de FML van 17 mei 2022 wordt geoordeeld dat het Uwv, met de motivering door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in het
Resultaat functiebeoordeling, voldoende heeft gemotiveerd dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht geschikt zijn voor betrokkene.
4.3.2.
Dat geldt ook voor de, specifiek door betrokkene in het aanvullend beroepschrift van 15 juli 2022 bestreden, motivering van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep bij de signalering bij item 2.6.1 (emotionele problemen van anderen hanteren) bij SBC-code 267041. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in het Resultaat functiebeoordeling gesteld dat sprake is van een routinematige productiefunctie, waarbij de contacten die de functionaris met anderen heeft zakelijk van aard zijn en bedoeld zijn om de voortgang van het productieproces te borgen. Daarmee is de kans gering dat betrokkene in een dergelijke omgeving geconfronteerd zal worden met emotionele problemen van anderen. In een rapport van 8 december 2022 heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep aanvullend gemotiveerd dat in het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem het item ‘emotionele problemen van anderen hanteren’ het evenwichtig omgaan is met emotionele problemen van anderen. Bij de beoordeling kijkt de arbeidsdeskundige in de functieomschrijving of er in contact met mensen moet worden gewerkt en zo ja, de mate waarin deze mensen in dat contact hun problemen etaleren en in hoeverre de medewerker moet acteren op deze problemen. In de (onder SBC-code 267041 vallende) functies komt de assembly worker A alleen in contact met collega’s. De contacten zijn zakelijk van aard. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft een toelichting gegeven op de door hem in het Resultaat functiebeoordeling opgenomen opmerking dat de kans gering is dat betrokkene geconfronteerd zal worden met emotionele problemen van anderen. Het is volgens de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep niet uitgesloten dat de functionaris een collega treft die om wat voor reden dan ook emotioneel is. Die kans is echter verwaarloosbaar omdat emotionele problemen van anderen hanteren niet inherent is aan de functie. Mocht het toch voorkomen, dan kan de functionaris zich er aan onttrekken zonder het werkproces in gevaar te brengen. Met de motivering in het Resultaat functiebeoordeling, aangevuld in het rapport van 8 december 2022, heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep inzichtelijk en overtuigend gemotiveerd dat de onder SBC-code 267041 vallende functies geschikt zijn voor betrokkene.
4.4.
Betrokkene heeft in het aanvullend beroepschrift van 15 juli 2022 betoogd dat SBC-code 267041 niet geselecteerd kan worden, omdat dat geen functie is met drie arbeidsplaatsen, maar twee functies met ieder twee arbeidsplaatsen. Dit betoog wordt niet gevolgd. In artikel 9, aanhef en onder a, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (Schattingsbesluit) staat (onder meer) vermeld dat de in aanmerking te nemen arbeid nader wordt omschreven in de vorm van ten minste drie verschillende functies, die ieder ten minste drie arbeidsplaatsen vertegenwoordigen. Uit de Nota van Toelichting bij het in 2004 gewijzigde Schattingsbesluit (Staatsblad 2004, 434) blijkt dat onder functies wordt verstaan ‘CBS-codes (de zogenaamde Standaard Beroepen Classificatie van het CBS)’, waarbij de Raad er van uitgaat dat de regelgever – in plaats van CBS-codes – SBC-codes heeft bedoeld. Het selecteren van SBC-code 267041, waaronder twee functies vallen met in totaal vier arbeidsplaatsen, is dus in overeenstemming met het Schattingsbesluit.
Conclusie
4.5.
Uit wat is overwogen in 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep van het Uwv slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. De Raad zal, gelet op wat onder 4.3 en 4.4 is overwogen, het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaren.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep
vernietigt de aangevallen uitspraak;
verklaart het beroep tegen het besluit van 24 mei 2022 ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door C.F.E. van Olden-Smit, in tegenwoordigheid van R. Jansen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 maart 2024.
(getekend) C.F.E. van Olden-Smit
(getekend) R. Jansen