Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2024-03-07
ECLI:NL:CRVB:2024:446
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
5,666 tokens
Inleiding
22/2201 WARZO
Datum uitspraak: 7 maart 2024
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 3 juni 2022, 21/893 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht heeft geweigerd om aan appellante een zwangerschapsuitkering voor zelfstandigen op grond van de Wazo toe te kennen, omdat zij de aanvraag te laat heeft ingediend en er geen sprake is van een bijzonder geval waarin afgeweken moet worden van de hoofdregel. Volgens appellante had het Uwv in de door haar genoemde omstandigheden wel grond moeten zien voor de conclusie dat sprake is van een bijzonder geval. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht heeft geweigerd aan appellante een Wazo-uitkering toe te kennen.
Procesverloop
Namens appellante heeft [X], cliëntadviseur bij [naam B.V.], hoger beroep ingesteld en de gronden van dat beroep aangevuld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 14 december 2023. Voor appellante is Rozendal verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D. Jacobs.
Overwegingen
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante was werkzaam als kapster en heeft in verband met een zwangerschap, met uitgerekende datum 22 juni 2019, een aanvraag om een zwangerschapsuitkering voor zelfstandigen op grond van de (zogenaamde ‘ZEZ-regeling’ van de) Wet arbeid en zorg (Wazo) ingediend. Met een besluit van 19 oktober 2020 heeft het Uwv deze aanvraag afgewezen, omdat deze pas op 16 oktober 2020 en daarmee te laat is ontvangen en bij de toekenning van een Wazouitkering niet verder terug mag worden gegaan dan een jaar voor de datum van de aanvraag.
1.2.
Met een besluit van 15 april 2021 (bestreden besluit) heeft het Uwv het door appellante tegen het besluit van 19 oktober 2020 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Hiertoe heeft de rechtbank het volgende overwogen.
2.1.
Het Uwv stelt dat de op 19 mei 2019 gedagtekende aanvraag niet eerder dan op 15 oktober 2020 het Uwv heeft bereikt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft appellante niet aannemelijk gemaakt dat zij de aanvraag uiterlijk twee weken voor de datum van ingang van het zwangerschapsverlof heeft ingediend. Dat de aanvraag op 19 mei 2019 naar het Uwv zou zijn gezonden, is onvoldoende onderbouwd. De aanvraag is op grond van artikel 3:22, eerste lid, van de Wazo dan ook niet tijdig ingediend. Ook op grond van het tweede lid van artikel 3:22 van de Wazo is de aanvraag niet tijdig gedaan. Het in dit artikellid bedoelde tijdvak besloeg in het geval van appellante de periode van 25 mei 2019 (vier weken voor de uitgerekende datum van 22 juni 2019) tot en met 13 september 2019 (25 mei 2019 + 16 weken). Om op basis van dit artikellid nog voor toekenning van de uitkering in aanmerking te komen, had het hiervoor bedoelde tijdvak moeten vallen in de periode na 15 oktober 2019. Daarvan is in het geval van appellante echter geen sprake, zodat ook op grond van dit artikellid geen recht op toekenning van de Wazouitkering bestaat.
2.2.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft appellante geen feiten en omstandigheden aangevoerd op grond waarvan het Uwv haar als een bijzonder geval had moeten aanmerken en haar toch een uitkering had moeten toekennen. Dat appellante de uitkering wel toegekend zou hebben gekregen als zij de aanvraag op tijd had gedaan, is geen bijzondere omstandigheid. Het komt voor haar risico dat haar gemachtigde geen verzendadministratie bijhoudt van door hem verzonden stukken en dat niet binnen een redelijke termijn na 19 mei 2019 met het Uwv contact is opgenomen met de vraag naar de stand van zaken rond de aanvraag. Dat bij het alsnog honoreren van de aanvraag om een uitkering voor het Uwv en andere belanghebbenden geen nadelige effecten ontstaan wordt door appellante gesteld, maar op geen enkele wijze onderbouwd. Daar komt bij dat in artikel 3:22 van de Wazo de termijnen voor het indienen van een aanvraag zijn verwoord en dat het op de weg van appellante en haar gemachtigde lag om ervoor zorg te dragen dat de aanvraag het Uwv tijdig zou bereiken.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Hiertegen heeft appellante aangevoerd dat de situatie onredelijke gevolgen voor haar heeft. Zij wordt onevenredig benadeeld. Zij doet, voor zover nodig, een beroep op de hardheidsclausule. Bij toepassing van de regeling dat de uitkering binnen een jaar na het einde van het zwangerschapsverlof moet zijn aangevraagd, ontstaat in dit geval, gelet op de doelstelling en de strekking van de uitkering, een onbillijkheid van overwegende aard. Bij toepassing van de hardheidsclausule c.q. het alsnog honoreren van de aanvraag om een Wazo-uitkering ontstaat geen nadelig gevolg voor het Uwv en derdenbelanghebbenden, omdat bij tijdige ontvangst van de aanvraag het Uwv de uitkering had verstrekt. Appellante voldeed aan alle voorwaarden voor uitkering en verstrekte alle daarvoor benodigde bewijsstukken.
Beoordeling
4. De Raad beoordeelt aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden, of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de weigering van de Wazouitkering in stand heeft gelaten. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. De wettelijke regels en beleidsregels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
4.1.
Niet in geschil is dat appellante de Wazo-aanvraag niet binnen de in artikel 3:22, eerste lid, van de Wazo genoemde termijn heeft ingediend en dat zij niet op grond van de eerste volzin van artikel 3:22, tweede lid, van de Wazo in aanmerking komt voor een Wazo-uitkering. Ter zitting heeft de gemachtigde van appellante nader toegelicht dat appellante – met de stelling dat de situatie onredelijke gevolgen voor haar heeft, zij daardoor onevenredig wordt benadeeld en er sprake is van een onbillijkheid van overwegende aard – heeft beoogd zich te beroepen op de in de tweede volzin van artikel 3:22, tweede lid, van de Wazo vervatte hardheidsclausule. Het hoger beroep beperkt zich daarom tot de vraag of het Uwv op goede gronden heeft vastgesteld dat in het geval van appellante geen sprake is van een bijzonder geval, zoals bedoeld in die tweede volzin, op grond waarvan het Uwv had moeten afwijken van de eerste volzin van artikel 3:22, tweede lid, van de Wazo.
4.2.
Wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd is in essentie een herhaling van de gronden die zij in beroep al naar voren heeft gebracht. De rechtbank wordt gevolgd in haar oordeel dat het Uwv niet heeft hoeven afwijken van de hoofdregel van artikel 3:22, tweede lid, van de Wazo, dat de mogelijkheid om de uitkering met terugwerkende kracht toe te kennen is beperkt tot één jaar voorafgaand aan de aanvraag. De overwegingen die tot dit oordeel hebben geleid worden onderschreven. In de door appellante genoemde omstandigheden, te weten dat zij in de veronderstelling was dat de aanvraag correct was ingediend, dat zij aan alle voorwaarden voor uitkering voldeed en het Uwv bij tijdige ontvangst van de aanvraag de uitkering had verstrekt en dat het alsnog verstrekken van de uitkering geen nadelige gevolgen heeft voor het Uwv of derden, heeft het Uwv geen grond hoeven zien voor de conclusie dat sprake is van een bijzonder geval (zoals bedoeld in de tweede volzin van artikel 3:22, tweede lid, van de Wazo).
Conclusie
4.3.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de weigering van de Wazo-uitkering in stand blijft.
5. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door C.F.E. van Olden-Smit, in tegenwoordigheid van L.B. Vrugt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 maart 2024.
(getekend) C.F.E. van Olden-Smit
(getekend) L.B. Vrugt
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels
Artikel 3:18 van de Wazo
[…]
2. De vrouwelijke zelfstandige heeft in verband met haar zwangerschap en bevalling recht op uitkering gedurende ten minste zestien weken. Artikel 3:1, vijfde lid, en artikel 3:3, tweede lid, tweede volzin, zijn van overeenkomstige toepassing.
3. Het recht op uitkering in verband met zwangerschap vangt aan zes weken voor de dag na de vermoedelijke datum van bevalling, of tien weken voor die dag indien het een zwangerschap van meer dan één kind betreft, zoals aangegeven in een schriftelijke verklaring van een arts of verloskundige, tot en met de dag van de bevalling. Indien de vrouwelijke zelfstandige dat wenst, vangt het recht op uitkering in verband met zwangerschap aan op een later tijdstip, doch uiterlijk vier weken voor de dag na de vermoedelijke datum van bevalling of uiterlijk acht weken voor die dag indien het een zwangerschap van meer dan één kind betreft.
Artikel 3:22 van de Wazo
1. De vrouwelijke zelfstandige of de vrouwelijke beroepsbeoefenaar op arbeidsovereenkomst, die in aanmerking wenst te komen voor toekenning van een uitkering in verband met zwangerschap en bevalling, doet de aanvraag daartoe bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen uiterlijk twee weken voor de datum van ingang van het zwangerschapsverlof. Bij die aanvraag wordt gemeld:
a. de vermoedelijke datum van bevalling;
b. de datum waarop het zwangerschapsverlof, respectievelijk het recht op uitkering, bedoeld in artikel 3:18, tweede lid, ingaat;
c. of zij de uitkering wil genieten in de vorm van een uitkering ter zake van vervanging.
2. Indien de aanvraag niet tijdig wordt gedaan, wordt de uitkering uitsluitend toegekend voor zover het tijdvak waarin sprake was van recht op uitkering in verband met zwangerschap en bevalling, valt in het jaar voorafgaand aan de aanvraag. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan in bijzondere gevallen ten gunste van de vrouwelijke zelfstandige of de vrouwelijke beroepsbeoefenaar op arbeidsovereenkomst afwijken van de eerste zin.
Inleiding
22/2201 WARZO
Datum uitspraak: 7 maart 2024
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 3 juni 2022, 21/893 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht heeft geweigerd om aan appellante een zwangerschapsuitkering voor zelfstandigen op grond van de Wazo toe te kennen, omdat zij de aanvraag te laat heeft ingediend en er geen sprake is van een bijzonder geval waarin afgeweken moet worden van de hoofdregel. Volgens appellante had het Uwv in de door haar genoemde omstandigheden wel grond moeten zien voor de conclusie dat sprake is van een bijzonder geval. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht heeft geweigerd aan appellante een Wazo-uitkering toe te kennen.
Procesverloop
Namens appellante heeft [X], cliëntadviseur bij [naam B.V.], hoger beroep ingesteld en de gronden van dat beroep aangevuld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 14 december 2023. Voor appellante is Rozendal verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D. Jacobs.
Overwegingen
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante was werkzaam als kapster en heeft in verband met een zwangerschap, met uitgerekende datum 22 juni 2019, een aanvraag om een zwangerschapsuitkering voor zelfstandigen op grond van de (zogenaamde ‘ZEZ-regeling’ van de) Wet arbeid en zorg (Wazo) ingediend. Met een besluit van 19 oktober 2020 heeft het Uwv deze aanvraag afgewezen, omdat deze pas op 16 oktober 2020 en daarmee te laat is ontvangen en bij de toekenning van een Wazouitkering niet verder terug mag worden gegaan dan een jaar voor de datum van de aanvraag.
1.2.
Met een besluit van 15 april 2021 (bestreden besluit) heeft het Uwv het door appellante tegen het besluit van 19 oktober 2020 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Hiertoe heeft de rechtbank het volgende overwogen.
2.1.
Het Uwv stelt dat de op 19 mei 2019 gedagtekende aanvraag niet eerder dan op 15 oktober 2020 het Uwv heeft bereikt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft appellante niet aannemelijk gemaakt dat zij de aanvraag uiterlijk twee weken voor de datum van ingang van het zwangerschapsverlof heeft ingediend. Dat de aanvraag op 19 mei 2019 naar het Uwv zou zijn gezonden, is onvoldoende onderbouwd. De aanvraag is op grond van artikel 3:22, eerste lid, van de Wazo dan ook niet tijdig ingediend. Ook op grond van het tweede lid van artikel 3:22 van de Wazo is de aanvraag niet tijdig gedaan. Het in dit artikellid bedoelde tijdvak besloeg in het geval van appellante de periode van 25 mei 2019 (vier weken voor de uitgerekende datum van 22 juni 2019) tot en met 13 september 2019 (25 mei 2019 + 16 weken). Om op basis van dit artikellid nog voor toekenning van de uitkering in aanmerking te komen, had het hiervoor bedoelde tijdvak moeten vallen in de periode na 15 oktober 2019. Daarvan is in het geval van appellante echter geen sprake, zodat ook op grond van dit artikellid geen recht op toekenning van de Wazouitkering bestaat.
2.2.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft appellante geen feiten en omstandigheden aangevoerd op grond waarvan het Uwv haar als een bijzonder geval had moeten aanmerken en haar toch een uitkering had moeten toekennen. Dat appellante de uitkering wel toegekend zou hebben gekregen als zij de aanvraag op tijd had gedaan, is geen bijzondere omstandigheid. Het komt voor haar risico dat haar gemachtigde geen verzendadministratie bijhoudt van door hem verzonden stukken en dat niet binnen een redelijke termijn na 19 mei 2019 met het Uwv contact is opgenomen met de vraag naar de stand van zaken rond de aanvraag. Dat bij het alsnog honoreren van de aanvraag om een uitkering voor het Uwv en andere belanghebbenden geen nadelige effecten ontstaan wordt door appellante gesteld, maar op geen enkele wijze onderbouwd. Daar komt bij dat in artikel 3:22 van de Wazo de termijnen voor het indienen van een aanvraag zijn verwoord en dat het op de weg van appellante en haar gemachtigde lag om ervoor zorg te dragen dat de aanvraag het Uwv tijdig zou bereiken.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Hiertegen heeft appellante aangevoerd dat de situatie onredelijke gevolgen voor haar heeft. Zij wordt onevenredig benadeeld. Zij doet, voor zover nodig, een beroep op de hardheidsclausule. Bij toepassing van de regeling dat de uitkering binnen een jaar na het einde van het zwangerschapsverlof moet zijn aangevraagd, ontstaat in dit geval, gelet op de doelstelling en de strekking van de uitkering, een onbillijkheid van overwegende aard. Bij toepassing van de hardheidsclausule c.q. het alsnog honoreren van de aanvraag om een Wazo-uitkering ontstaat geen nadelig gevolg voor het Uwv en derdenbelanghebbenden, omdat bij tijdige ontvangst van de aanvraag het Uwv de uitkering had verstrekt. Appellante voldeed aan alle voorwaarden voor uitkering en verstrekte alle daarvoor benodigde bewijsstukken.
Beoordeling
4. De Raad beoordeelt aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden, of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de weigering van de Wazouitkering in stand heeft gelaten. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. De wettelijke regels en beleidsregels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
4.1.
Niet in geschil is dat appellante de Wazo-aanvraag niet binnen de in artikel 3:22, eerste lid, van de Wazo genoemde termijn heeft ingediend en dat zij niet op grond van de eerste volzin van artikel 3:22, tweede lid, van de Wazo in aanmerking komt voor een Wazo-uitkering. Ter zitting heeft de gemachtigde van appellante nader toegelicht dat appellante – met de stelling dat de situatie onredelijke gevolgen voor haar heeft, zij daardoor onevenredig wordt benadeeld en er sprake is van een onbillijkheid van overwegende aard – heeft beoogd zich te beroepen op de in de tweede volzin van artikel 3:22, tweede lid, van de Wazo vervatte hardheidsclausule. Het hoger beroep beperkt zich daarom tot de vraag of het Uwv op goede gronden heeft vastgesteld dat in het geval van appellante geen sprake is van een bijzonder geval, zoals bedoeld in die tweede volzin, op grond waarvan het Uwv had moeten afwijken van de eerste volzin van artikel 3:22, tweede lid, van de Wazo.
4.2.
Wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd is in essentie een herhaling van de gronden die zij in beroep al naar voren heeft gebracht. De rechtbank wordt gevolgd in haar oordeel dat het Uwv niet heeft hoeven afwijken van de hoofdregel van artikel 3:22, tweede lid, van de Wazo, dat de mogelijkheid om de uitkering met terugwerkende kracht toe te kennen is beperkt tot één jaar voorafgaand aan de aanvraag. De overwegingen die tot dit oordeel hebben geleid worden onderschreven. In de door appellante genoemde omstandigheden, te weten dat zij in de veronderstelling was dat de aanvraag correct was ingediend, dat zij aan alle voorwaarden voor uitkering voldeed en het Uwv bij tijdige ontvangst van de aanvraag de uitkering had verstrekt en dat het alsnog verstrekken van de uitkering geen nadelige gevolgen heeft voor het Uwv of derden, heeft het Uwv geen grond hoeven zien voor de conclusie dat sprake is van een bijzonder geval (zoals bedoeld in de tweede volzin van artikel 3:22, tweede lid, van de Wazo).
Conclusie
4.3.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de weigering van de Wazo-uitkering in stand blijft.
5. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door C.F.E. van Olden-Smit, in tegenwoordigheid van L.B. Vrugt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 maart 2024.
(getekend) C.F.E. van Olden-Smit
(getekend) L.B. Vrugt
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels
Artikel 3:18 van de Wazo
[…]
2. De vrouwelijke zelfstandige heeft in verband met haar zwangerschap en bevalling recht op uitkering gedurende ten minste zestien weken. Artikel 3:1, vijfde lid, en artikel 3:3, tweede lid, tweede volzin, zijn van overeenkomstige toepassing.
3. Het recht op uitkering in verband met zwangerschap vangt aan zes weken voor de dag na de vermoedelijke datum van bevalling, of tien weken voor die dag indien het een zwangerschap van meer dan één kind betreft, zoals aangegeven in een schriftelijke verklaring van een arts of verloskundige, tot en met de dag van de bevalling. Indien de vrouwelijke zelfstandige dat wenst, vangt het recht op uitkering in verband met zwangerschap aan op een later tijdstip, doch uiterlijk vier weken voor de dag na de vermoedelijke datum van bevalling of uiterlijk acht weken voor die dag indien het een zwangerschap van meer dan één kind betreft.
Artikel 3:22 van de Wazo
1. De vrouwelijke zelfstandige of de vrouwelijke beroepsbeoefenaar op arbeidsovereenkomst, die in aanmerking wenst te komen voor toekenning van een uitkering in verband met zwangerschap en bevalling, doet de aanvraag daartoe bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen uiterlijk twee weken voor de datum van ingang van het zwangerschapsverlof. Bij die aanvraag wordt gemeld:
a. de vermoedelijke datum van bevalling;
b. de datum waarop het zwangerschapsverlof, respectievelijk het recht op uitkering, bedoeld in artikel 3:18, tweede lid, ingaat;
c. of zij de uitkering wil genieten in de vorm van een uitkering ter zake van vervanging.
2. Indien de aanvraag niet tijdig wordt gedaan, wordt de uitkering uitsluitend toegekend voor zover het tijdvak waarin sprake was van recht op uitkering in verband met zwangerschap en bevalling, valt in het jaar voorafgaand aan de aanvraag. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan in bijzondere gevallen ten gunste van de vrouwelijke zelfstandige of de vrouwelijke beroepsbeoefenaar op arbeidsovereenkomst afwijken van de eerste zin.