Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2024-02-14
ECLI:NL:CRVB:2024:323
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
3,448 tokens
Inleiding
20477 WSF-PV, 23/1256 WSF-PV, 23/1622 WSF-PV
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Den Haag van 9 december 2019, 19/604, 9 maart 2023, 19/3196 en 9 maart 2023, 20/130 (aangevallen uitspraken)
Partijen
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
Datum uitspraak: 14 februari 2024
Datum van de zitting: 7 februari 2024
Zitting heeft: J. Brand, lid van enkelvoudige kamer
Griffier: S.S. Blok
Appellante is niet verschenen. Voor de minister is verschenen mr. F. Hummel-Fekkes.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep
In de zaak 20/477 WSF:
- Bevestigt de aangevallen uitspraak.
In de zaken 23/1256 WSF en 23/1622 WSF:
- Verklaart de hoger beroepen niet-ontvankelijk.
Deze beslissingen zijn, met verdaging van een week, uitgesproken in het openbaar. Zij zijn gebaseerd op de volgende overwegingen.
1.1.
De Raad hecht eraan om aan het begin van deze uitspraak op te merken dat hij appellante in het hoger beroep dat is geregistreerd onder nummer 20/477 WSF sinds eind 2020 meer dan 10 maal gelegenheid heeft geboden op een zitting te worden gehoord. Appellante heeft telkens om uiteenlopende redenen, veelal zonder verifieerbaar bewijs van verhindering, verzocht om uitstel van de behandeling ter zitting. Dat uitstel is tot begin 2023 – appellante steeds het voordeel van de twijfel gevende – even zo vele malen gehonoreerd. In de uitnodiging voor de zitting van 28 maart 2023 is uitdrukkelijk opgenomen dat geen verder uitstel zal worden verleend. Toen het uitstel dat zij niettemin verzocht werd afgewezen, heeft zij een verzoek om wraking van de behandelend rechter ingediend. Ook voor de zitting van 6 september 2023 is een verzoek om uitstel afgewezen, waarna appellante opnieuw een verzoek om wraking heeft ingediend. De behandeling ter zitting kon door de laattijdige indiening van deze wrakingsverzoeken feitelijk twee keer geen doorgang vinden. Dit alles heeft geleid tot een onaanvaardbaar lange duur van deze procedure. De hoger beroepen die zijn geregistreerd onder de nummers 23/1256 WSF en 23/1622 WSF zijn ook al eerder geagendeerd en ook daarin is al bij een eerder geplande zitting verzocht om uitstel van de behandeling en is een wrakingsverzoek ingediend, waardoor behandeling van die zaken geen doorgang kon vinden. De verzoeken om wraking zijn alle afgewezen. Ook is een zogenoemd wrakingsverbod uitgesproken.
1.2.
De Raad heeft appellante er in de uitnodiging voor de zitting van 7 februari 2024 wederom uitdrukkelijk op gewezen dat geen uitstel meer zou worden verleend. Dat is gebeurd in een aangetekende en per gewone post op 16 januari 2024 aan het door appellante opgegeven adres verzonden uitnodiging. Die dubbele verzending heeft de Raad nodig geacht vanwege de stelselmatige en blijkbaar hardnekkige weigering van appellante om aangetekende stukken van de Raad in ontvangst te nemen. Dat appellante per gewone post op haar adres bereikbaar is, blijkt uit de vele reacties op eerdere vooraankondigingen en pogingen van de Raad om in overleg met appellante een zittingsdatum te plannen. Appellante is – uit een oogpunt van service – van de zittingsdatum ook per e-mail op de hoogte gesteld op 16 januari 2024, met vermelding van de zittingsdatum in het onderwerpveld. De uitnodiging voor de zitting van 7 februari 2024 is verder voorafgegaan door een vooraankondiging die per gewone post op 2 januari 2024 is verzonden. Van appellante is de laatste anderhalve week voor de zitting per e-mail veel correspondentie ontvangen, met onder meer, op de dag voor de zitting, het verzoek om ‘aanhouding’ van haar zaken. Die correspondentie en dat verzoek hebben geen aanleiding gegeven de behandeling van de zaken opnieuw uit te stellen. De Raad had dat voorafgaand aan de zitting ook aan appellante laten weten. Een geschil moet tenslotte ook een keer tot een eind komen.
1.3.
Zou het zo zijn dat appellante de brieven over de zitting niet (tijdig) onder ogen heeft gekregen vanwege haar langdurige afwezigheid (waarvan in de recente correspondentie sprake is), dan komt dat in deze zaken voor haar risico. Appellante is er al lang van op de hoogte dat de Raad haar zaken ter zitting wil behandelen en zij krijgt daarover van de Raad met grote regelmaat post, maar zij treft bij haar afwezigheid blijkbaar geen maatregelen die ertoe leiden dat zij de deze post kan lezen.
2. Appellante heeft tegen drie uitspraken van de rechtbank Den Haag hoger beroep ingesteld.
2.1.
In het eerste hoger beroep is de vraag aan de orde of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de minister het bezwaar van appellante op goede gronden niet-ontvankelijk heeft verklaard. Dat is het geval. De brief met informatie over haar studieschuld waartegen appellante in deze zaak bezwaar heeft gemaakt is niet gericht op enig rechtsgevolg en volgens al lang geldende rechtspraak daarom geen besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht. Daartegen kan dan ook geen bezwaar worden gemaakt. Wat appellante naar voren heeft gebracht over door haar vastgestelde ‘onvolkomenheden’ in de procedure bij de rechtbank, wat daarvan verder ook zij, leidt niet tot een ander oordeel.
2.2.
In het tweede en derde hoger beroep heeft appellante gevraagd om vrijstelling van betaling van griffierecht. Ook heeft zij gevraagd om uitstel voor het indienen van de gronden. Het uitstel is – eenmalig – voor een periode van vier weken verleend. Appellante is er daarbij op gewezen dat het uitblijven van gronden zou kunnen meebrengen dat haar hoger beroepen niet inhoudelijk worden behandeld. De verzoeken om vrijstelling zijn afgewezen. Appellante is van deze beslissingen op de hoogte gebracht bij brief van 6 juli 2023. De Raad stelt vast dat tot op heden geen gronden zijn ingediend en dat het griffierecht in deze zaken niet is voldaan. Dat appellante daarvan geen verwijt zou kunnen worden gemaakt, is niet gebleken.
3. Voor vergoeding van proceskosten bestaat geen aanleiding.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
(getekend) S.S. Blok (getekend) J. Brand
Voor eensluidend afschrift
de griffier van de
Centrale Raad van Beroep
Inleiding
20477 WSF-PV, 23/1256 WSF-PV, 23/1622 WSF-PV
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Den Haag van 9 december 2019, 19/604, 9 maart 2023, 19/3196 en 9 maart 2023, 20/130 (aangevallen uitspraken)
Partijen
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
Datum uitspraak: 14 februari 2024
Datum van de zitting: 7 februari 2024
Zitting heeft: J. Brand, lid van enkelvoudige kamer
Griffier: S.S. Blok
Appellante is niet verschenen. Voor de minister is verschenen mr. F. Hummel-Fekkes.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep
In de zaak 20/477 WSF:
- Bevestigt de aangevallen uitspraak.
In de zaken 23/1256 WSF en 23/1622 WSF:
- Verklaart de hoger beroepen niet-ontvankelijk.
Deze beslissingen zijn, met verdaging van een week, uitgesproken in het openbaar. Zij zijn gebaseerd op de volgende overwegingen.
1.1.
De Raad hecht eraan om aan het begin van deze uitspraak op te merken dat hij appellante in het hoger beroep dat is geregistreerd onder nummer 20/477 WSF sinds eind 2020 meer dan 10 maal gelegenheid heeft geboden op een zitting te worden gehoord. Appellante heeft telkens om uiteenlopende redenen, veelal zonder verifieerbaar bewijs van verhindering, verzocht om uitstel van de behandeling ter zitting. Dat uitstel is tot begin 2023 – appellante steeds het voordeel van de twijfel gevende – even zo vele malen gehonoreerd. In de uitnodiging voor de zitting van 28 maart 2023 is uitdrukkelijk opgenomen dat geen verder uitstel zal worden verleend. Toen het uitstel dat zij niettemin verzocht werd afgewezen, heeft zij een verzoek om wraking van de behandelend rechter ingediend. Ook voor de zitting van 6 september 2023 is een verzoek om uitstel afgewezen, waarna appellante opnieuw een verzoek om wraking heeft ingediend. De behandeling ter zitting kon door de laattijdige indiening van deze wrakingsverzoeken feitelijk twee keer geen doorgang vinden. Dit alles heeft geleid tot een onaanvaardbaar lange duur van deze procedure. De hoger beroepen die zijn geregistreerd onder de nummers 23/1256 WSF en 23/1622 WSF zijn ook al eerder geagendeerd en ook daarin is al bij een eerder geplande zitting verzocht om uitstel van de behandeling en is een wrakingsverzoek ingediend, waardoor behandeling van die zaken geen doorgang kon vinden. De verzoeken om wraking zijn alle afgewezen. Ook is een zogenoemd wrakingsverbod uitgesproken.
1.2.
De Raad heeft appellante er in de uitnodiging voor de zitting van 7 februari 2024 wederom uitdrukkelijk op gewezen dat geen uitstel meer zou worden verleend. Dat is gebeurd in een aangetekende en per gewone post op 16 januari 2024 aan het door appellante opgegeven adres verzonden uitnodiging. Die dubbele verzending heeft de Raad nodig geacht vanwege de stelselmatige en blijkbaar hardnekkige weigering van appellante om aangetekende stukken van de Raad in ontvangst te nemen. Dat appellante per gewone post op haar adres bereikbaar is, blijkt uit de vele reacties op eerdere vooraankondigingen en pogingen van de Raad om in overleg met appellante een zittingsdatum te plannen. Appellante is – uit een oogpunt van service – van de zittingsdatum ook per e-mail op de hoogte gesteld op 16 januari 2024, met vermelding van de zittingsdatum in het onderwerpveld. De uitnodiging voor de zitting van 7 februari 2024 is verder voorafgegaan door een vooraankondiging die per gewone post op 2 januari 2024 is verzonden. Van appellante is de laatste anderhalve week voor de zitting per e-mail veel correspondentie ontvangen, met onder meer, op de dag voor de zitting, het verzoek om ‘aanhouding’ van haar zaken. Die correspondentie en dat verzoek hebben geen aanleiding gegeven de behandeling van de zaken opnieuw uit te stellen. De Raad had dat voorafgaand aan de zitting ook aan appellante laten weten. Een geschil moet tenslotte ook een keer tot een eind komen.
1.3.
Zou het zo zijn dat appellante de brieven over de zitting niet (tijdig) onder ogen heeft gekregen vanwege haar langdurige afwezigheid (waarvan in de recente correspondentie sprake is), dan komt dat in deze zaken voor haar risico. Appellante is er al lang van op de hoogte dat de Raad haar zaken ter zitting wil behandelen en zij krijgt daarover van de Raad met grote regelmaat post, maar zij treft bij haar afwezigheid blijkbaar geen maatregelen die ertoe leiden dat zij de deze post kan lezen.
2. Appellante heeft tegen drie uitspraken van de rechtbank Den Haag hoger beroep ingesteld.
2.1.
In het eerste hoger beroep is de vraag aan de orde of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de minister het bezwaar van appellante op goede gronden niet-ontvankelijk heeft verklaard. Dat is het geval. De brief met informatie over haar studieschuld waartegen appellante in deze zaak bezwaar heeft gemaakt is niet gericht op enig rechtsgevolg en volgens al lang geldende rechtspraak daarom geen besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht. Daartegen kan dan ook geen bezwaar worden gemaakt. Wat appellante naar voren heeft gebracht over door haar vastgestelde ‘onvolkomenheden’ in de procedure bij de rechtbank, wat daarvan verder ook zij, leidt niet tot een ander oordeel.
2.2.
In het tweede en derde hoger beroep heeft appellante gevraagd om vrijstelling van betaling van griffierecht. Ook heeft zij gevraagd om uitstel voor het indienen van de gronden. Het uitstel is – eenmalig – voor een periode van vier weken verleend. Appellante is er daarbij op gewezen dat het uitblijven van gronden zou kunnen meebrengen dat haar hoger beroepen niet inhoudelijk worden behandeld. De verzoeken om vrijstelling zijn afgewezen. Appellante is van deze beslissingen op de hoogte gebracht bij brief van 6 juli 2023. De Raad stelt vast dat tot op heden geen gronden zijn ingediend en dat het griffierecht in deze zaken niet is voldaan. Dat appellante daarvan geen verwijt zou kunnen worden gemaakt, is niet gebleken.
3. Voor vergoeding van proceskosten bestaat geen aanleiding.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
(getekend) S.S. Blok (getekend) J. Brand
Voor eensluidend afschrift
de griffier van de
Centrale Raad van Beroep