Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2024-01-09
ECLI:NL:CRVB:2024:28
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
7,006 tokens
Inleiding
22/3547 PW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 4 oktober 2022, 21/1653 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Hengelo (college)
Datum uitspraak: 9 januari 2024
Procesverloop
Met een besluit 12 april 2021 heeft het college de aanvraag van appellant om bijzondere bijstand voor de kosten van de aanschaf van een bril en contactlenzen afgewezen. Appellant heeft daartegen bezwaar gemaakt maar het college is met een besluit van 24 augustus 2021 (bestreden besluit) bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak het beroep ongegrond verklaard.
Namens appellant heeft mr. L. de Widt, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft partijen bij brief van 21 juli 2023 gewezen op vaste rechtspraak en partijen vragen gesteld. Partijen hebben bij brieven van 5 augustus 2023, 24 augustus 2023 en 1 september 2023 gereageerd.
De Raad heeft de zaak vervolgens behandeld op een zitting van 7 november 2023. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. L. de Widt. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door J.P. Hageman.
Overwegingen
Samenvatting
Het gaat in deze zaak om de vraag of het college terecht de aanvraag om bijzondere bijstand van appellant heeft afgewezen. Volgens het college heeft appellant geen recht op bijzondere bijstand voor de kosten van de aanschaf van een bril en contactlenzen omdat de Zorgverzekeringswet (Zvw) een voorliggende voorziening is die passend en toereikend is en er geen zeer dringende redenen zijn om in het geval van appellant toch bijzondere bijstand te verlenen. Appellant vindt dat hij wel recht heeft op bijzondere bijstand omdat de Zvw voor hem geen toereikende en voorliggende voorziening is en omdat sprake is van zeer dringende redenen. Daarnaast doet appellant een beroep op het vertrouwensbeginsel. Net als de rechtbank is de Raad het niet met appellant eens. De afwijzing van de aanvraag blijft in stand.
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Op 15 maart 2021 heeft appellant bijzondere bijstand ingevolge de Participatiewet (PW)
aangevraagd voor de kosten van de aanschaf van een bril en contactlenzen.
1.2.
Het college heeft met de onder het procesverloop genoemde besluiten de aanvraag
afgewezen. Het college heeft de aanvraag afgewezen omdat de Zvw een voorliggende voorziening is die passend en toereikend is en er geen zeer dringende redenen zijn om in het geval van appellant toch bijzondere bijstand te verlenen.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee de afwijzing van de aanvraag in stand gelaten.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met die uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat hij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.
Beoordeling
4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het besluit van het college om de aanvraag van appellant af te wijzen in stand heeft gelaten. Hij doet dat aan de hand van de argumenten die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
4.1.
De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Voorliggende voorziening
4.2.
Op grond van artikel 15, eerste lid, eerste volzin, van de PW bestaat geen recht op bijstand voor zover een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening die, gezien haar aard en doel, wordt geacht voor de belanghebbende toereikend en passend te zijn. De aanvrager van bijzondere bijstand moet aannemelijk maken dat een voorliggende voorziening niet passend of toereikend is in de zin van artikel 15, eerste lid, van de PW. Dit is vaste rechtspraak.
4.3.
Geen recht op bijstand bestaat voor kosten die in de voorliggende voorziening als niet noodzakelijk zijn aangemerkt. Als in de voorliggende voorziening de bewuste keus is gemaakt dat het vergoeden van deze kosten niet noodzakelijk is, kan de bijstandverlenende instantie daarvoor in beginsel geen bijzondere bijstand toekennen. Dat volgt uit artikel 15, eerste lid, tweede volzin, van de PW. Als de vergoeding van een bepaalde kostensoort in het algemeen of in een specifieke situatie in de voorliggende voorziening niet noodzakelijk is geacht, moet de bijstandverlenende instantie voor de toepassing van de PW daarbij aansluiten. Ook dit is vaste rechtspraak.
4.4.
Appellant voert aan dat de Zvw voor hem geen toereikende en passende voorliggende voorziening is. Appellant heeft een zeer grote afwijking van de ogen, waardoor het voor hem niet mogelijk is om een bril of contactlenzen te kopen waarbij de Zvw als toereikend en passend kan worden gezien. De kosten worden niet volledig vergoed. Deze beroepsgrond slaagt niet.
4.4.1.
Het is vaste rechtspraak dat voor de kosten van een bril en contactlenzen de Zvw en het daarop gebaseerde Besluit zorgverzekering en de Regeling zorgverzekering een toereikende en passende voorliggende voorziening is. Dat appellant de bril en lenzen op grond van de voorliggende voorziening niet volledig vergoed krijgt, is in dit verband niet van belang. Naar zijn aard en doel is sprake van een voor appellant toereikende en passende voorziening. Het hoger beroep komt erop neer dat de vergoeding die op grond van de voorliggende voorziening kan worden verkregen voor appellant niet toereikend is. De Raad heeft echter al vaker geoordeeld dat de PW, gelet op artikel 15, eerste lid, tweede volzin, geen functie heeft indien, zoals in dit geval, binnen de voorliggende voorziening een bewuste beslissing is genomen over de noodzaak van vergoeding van bepaalde kostensoorten in het algemeen of in een specifieke situatie. Indien binnen de voorliggende voorziening die vergoeding in het algemeen of in een specifieke situatie niet noodzakelijk is geacht, dient daarbij voor de toepassing van de PW te worden aangesloten. De PW strekt er namelijk niet toe beslissingen van andere instanties over de noodzakelijkheid van de vergoeding van kosten materieel ongedaan te maken. In de omstandigheid dat appellant sterke minglazen heeft, ziet de Raad geen grond in dit geval anders te oordelen.
4.5.
Het college heeft zich dus terecht op het standpunt gesteld dat de Zvw als voorliggende voorziening in de weg staat aan de verlening van de gevraagde bijzondere bijstand.
Zeer dringende redenen
4.6.
Op grond van artikel 16, eerste lid, van de PW kan in een dergelijke situatie toch verlening van bijstand mogelijk zijn als zeer dringende redenen dat noodzakelijk maken. Zulke redenen doen zich voor als er een acute noodsituatie is en de behoeftige omstandigheden waarin de betrokkene verkeert op geen enkele andere wijze zijn te verhelpen, zodat het verlenen van bijstand onvermijdelijk is. Een acute noodsituatie kan zich bijvoorbeeld voordoen als een situatie levensbedreigend is of als blijvend ernstig geestelijk of lichamelijk letsel of invaliditeit daarvan het gevolg kan zijn. Een acute noodsituatie doet zich voor als het niet-verlenen van bijstand voor de betrokkene tot ernstige gevolgen leidt, met name voor diens gezondheid. De wetgever heeft bij het begrip ‘zeer dringende redenen’ gedacht aan een extreme situatie en heeft nadrukkelijk niet beoogd een algemene ontsnappingsclausule te bieden. Daarom moet het gaan om een schrijnende situatie waarvan het evident is dat weigering van bijstand zonder meer onaanvaardbaar is.
4.7.
Appellant voert aan dat in zijn geval sprake is van zeer dringende redenen en wijst in dit verband op de volgende feiten en omstandigheden. Het zicht van appellant is verder afgenomen. Hij had ten tijde van de aanvraag een sterke afwijking aan beide ogen van respectievelijk min 13 en min 14. Omdat de bril en contactlenzen die appellant had sterk afweken van het zicht dat appellant heeft, krijgt hij ernstige hoofdpijn, wordt hij duizelig en wordt hij daardoor min of meer gedwongen zoveel mogelijk binnen te blijven en dat zorgt bij hem voor psychische overbelasting. Het vrijwilligerswerk van appellant, waarbij hij ook de computer nodig heeft, komt in het gedrang omdat hij niet goed kan zien. Het is voor appellant noodzakelijk af te wisselen tussen een bril en contactlenzen. Ook deze beroepsgrond slaagt niet.
4.8.
Het is aan appellant om feiten en omstandigheden aannemelijk te maken die het oordeel kunnen dragen dat zich zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de PW voordoen. Hij beroept zich immers op een uitzonderingssituatie. Appellant is niet in de op hem rustende bewijslast geslaagd. Daarvoor is het volgende van belang.
4.8.1.
Het college stelt zich terecht op het standpunt dat appellant wel stelt welke gevolgen het niet vergoeden van de kosten voor hem heeft, maar dat hij deze gevolgen op geen enkele wijze onderbouwt. De Raad acht het voorstelbaar dat het voor appellant met een bril en lenzen die niet de juiste sterkte hebben lastig is om te functioneren, maar appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een acute noodsituatie. Er is dan ook onvoldoende grond voor het oordeel dat het in dit geval gaat om een schrijnende situatie waarin het evident is dat weigering van bijstand zonder meer onaanvaardbaar is. Het enkele feit dat sprake is van een sterke afwijking is daarvoor onvoldoende. Dat zou er immers toe leiden dat, in strijd met de bedoeling van de wetgever, een algemene ontsnappingsclausule wordt geboden voor alle personen met een sterke afwijking.
Vertrouwensbeginsel
4.9.
Appellant doet tot slot een beroep op het vertrouwensbeginsel. Daartoe stelt appellant dat het college de indruk heeft gewekt de aanvraag te toetsen aan artikel 35 van de PW door verschillende stukken op te vragen, zoals offertes, terwijl het college al wist dat een voorliggende voorziening aan toekenning in de weg zou staan. Ook komt betekenis toe aan het feit dat het college geen vragen heeft gesteld over de zeer dringende redenen. Deze beroepsgrond slaagt niet.
4.10.
Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is in de eerste plaats vereist dat de betrokkene aannemelijk maakt dat van de zijde van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en, zo ja, hoe het bestuursorgaan in een concreet geval een bevoegdheid zou uitoefenen.
Conclusie
4.12.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de afwijzing van de aanvraag om bijzondere bijstand in stand blijft.
5. Appellant krijgt daarom geen vergoeding voor zijn proceskosten. Hij krijgt ook het betaalde griffierecht niet terug.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen aanspraak.
Deze uitspraak is gedaan door P.W. van Straalen, in tegenwoordigheid van A.M. Korver als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 januari 2024.
(getekend) P.W. van Straalen
(getekend) A.M. Korver
Bijlage: regelgeving
Participatiewet
Artikel 5 Bijstand en voorliggende voorziening
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
(…)
e. voorliggende voorziening: elke voorziening buiten deze wet waarop de belanghebbende of het gezin aanspraak kan maken, dan wel een beroep kan doen, ter verwerving van middelen of ter bekostiging van specifieke uitgaven.
Artikel 15 Voorliggende voorziening
1. Geen recht op bijstand bestaat voor zover een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening die, gezien haar aard en doel, wordt geacht voor de belanghebbende toereikend en passend te zijn. Het recht op bijstand strekt zich evenmin uit tot kosten die in de voorliggende voorziening als niet noodzakelijk worden aangemerkt.
(…).
Artikel 16 Zeer dringende redenen
1. Aan een persoon die geen recht op bijstand heeft, kan het college, gelet op alle omstandigheden, in afwijking van deze paragraaf, bijstand verlenen indien zeer dringende redenen daartoe noodzaken.
(…).
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 27 juli 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BN3307.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 13 december 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BU8263.
Uitspraken van 12 juli 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR2509 en 26 januari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:332.
Uitspraak van 10 oktober 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1970.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 17 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV1028.
Uitspraak van 13 juni 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:985.
ECLI:NL:CRVB:2020:559.
Inleiding
22/3547 PW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 4 oktober 2022, 21/1653 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Hengelo (college)
Datum uitspraak: 9 januari 2024
Procesverloop
Met een besluit 12 april 2021 heeft het college de aanvraag van appellant om bijzondere bijstand voor de kosten van de aanschaf van een bril en contactlenzen afgewezen. Appellant heeft daartegen bezwaar gemaakt maar het college is met een besluit van 24 augustus 2021 (bestreden besluit) bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak het beroep ongegrond verklaard.
Namens appellant heeft mr. L. de Widt, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft partijen bij brief van 21 juli 2023 gewezen op vaste rechtspraak en partijen vragen gesteld. Partijen hebben bij brieven van 5 augustus 2023, 24 augustus 2023 en 1 september 2023 gereageerd.
De Raad heeft de zaak vervolgens behandeld op een zitting van 7 november 2023. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. L. de Widt. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door J.P. Hageman.
Overwegingen
Samenvatting
Het gaat in deze zaak om de vraag of het college terecht de aanvraag om bijzondere bijstand van appellant heeft afgewezen. Volgens het college heeft appellant geen recht op bijzondere bijstand voor de kosten van de aanschaf van een bril en contactlenzen omdat de Zorgverzekeringswet (Zvw) een voorliggende voorziening is die passend en toereikend is en er geen zeer dringende redenen zijn om in het geval van appellant toch bijzondere bijstand te verlenen. Appellant vindt dat hij wel recht heeft op bijzondere bijstand omdat de Zvw voor hem geen toereikende en voorliggende voorziening is en omdat sprake is van zeer dringende redenen. Daarnaast doet appellant een beroep op het vertrouwensbeginsel. Net als de rechtbank is de Raad het niet met appellant eens. De afwijzing van de aanvraag blijft in stand.
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Op 15 maart 2021 heeft appellant bijzondere bijstand ingevolge de Participatiewet (PW)
aangevraagd voor de kosten van de aanschaf van een bril en contactlenzen.
1.2.
Het college heeft met de onder het procesverloop genoemde besluiten de aanvraag
afgewezen. Het college heeft de aanvraag afgewezen omdat de Zvw een voorliggende voorziening is die passend en toereikend is en er geen zeer dringende redenen zijn om in het geval van appellant toch bijzondere bijstand te verlenen.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee de afwijzing van de aanvraag in stand gelaten.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met die uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat hij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.
Beoordeling
4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het besluit van het college om de aanvraag van appellant af te wijzen in stand heeft gelaten. Hij doet dat aan de hand van de argumenten die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
4.1.
De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Voorliggende voorziening
4.2.
Op grond van artikel 15, eerste lid, eerste volzin, van de PW bestaat geen recht op bijstand voor zover een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening die, gezien haar aard en doel, wordt geacht voor de belanghebbende toereikend en passend te zijn. De aanvrager van bijzondere bijstand moet aannemelijk maken dat een voorliggende voorziening niet passend of toereikend is in de zin van artikel 15, eerste lid, van de PW. Dit is vaste rechtspraak.
4.3.
Geen recht op bijstand bestaat voor kosten die in de voorliggende voorziening als niet noodzakelijk zijn aangemerkt. Als in de voorliggende voorziening de bewuste keus is gemaakt dat het vergoeden van deze kosten niet noodzakelijk is, kan de bijstandverlenende instantie daarvoor in beginsel geen bijzondere bijstand toekennen. Dat volgt uit artikel 15, eerste lid, tweede volzin, van de PW. Als de vergoeding van een bepaalde kostensoort in het algemeen of in een specifieke situatie in de voorliggende voorziening niet noodzakelijk is geacht, moet de bijstandverlenende instantie voor de toepassing van de PW daarbij aansluiten. Ook dit is vaste rechtspraak.
4.4.
Appellant voert aan dat de Zvw voor hem geen toereikende en passende voorliggende voorziening is. Appellant heeft een zeer grote afwijking van de ogen, waardoor het voor hem niet mogelijk is om een bril of contactlenzen te kopen waarbij de Zvw als toereikend en passend kan worden gezien. De kosten worden niet volledig vergoed. Deze beroepsgrond slaagt niet.
4.4.1.
Het is vaste rechtspraak dat voor de kosten van een bril en contactlenzen de Zvw en het daarop gebaseerde Besluit zorgverzekering en de Regeling zorgverzekering een toereikende en passende voorliggende voorziening is. Dat appellant de bril en lenzen op grond van de voorliggende voorziening niet volledig vergoed krijgt, is in dit verband niet van belang. Naar zijn aard en doel is sprake van een voor appellant toereikende en passende voorziening. Het hoger beroep komt erop neer dat de vergoeding die op grond van de voorliggende voorziening kan worden verkregen voor appellant niet toereikend is. De Raad heeft echter al vaker geoordeeld dat de PW, gelet op artikel 15, eerste lid, tweede volzin, geen functie heeft indien, zoals in dit geval, binnen de voorliggende voorziening een bewuste beslissing is genomen over de noodzaak van vergoeding van bepaalde kostensoorten in het algemeen of in een specifieke situatie. Indien binnen de voorliggende voorziening die vergoeding in het algemeen of in een specifieke situatie niet noodzakelijk is geacht, dient daarbij voor de toepassing van de PW te worden aangesloten. De PW strekt er namelijk niet toe beslissingen van andere instanties over de noodzakelijkheid van de vergoeding van kosten materieel ongedaan te maken. In de omstandigheid dat appellant sterke minglazen heeft, ziet de Raad geen grond in dit geval anders te oordelen.
4.5.
Het college heeft zich dus terecht op het standpunt gesteld dat de Zvw als voorliggende voorziening in de weg staat aan de verlening van de gevraagde bijzondere bijstand.
Zeer dringende redenen
4.6.
Op grond van artikel 16, eerste lid, van de PW kan in een dergelijke situatie toch verlening van bijstand mogelijk zijn als zeer dringende redenen dat noodzakelijk maken. Zulke redenen doen zich voor als er een acute noodsituatie is en de behoeftige omstandigheden waarin de betrokkene verkeert op geen enkele andere wijze zijn te verhelpen, zodat het verlenen van bijstand onvermijdelijk is. Een acute noodsituatie kan zich bijvoorbeeld voordoen als een situatie levensbedreigend is of als blijvend ernstig geestelijk of lichamelijk letsel of invaliditeit daarvan het gevolg kan zijn. Een acute noodsituatie doet zich voor als het niet-verlenen van bijstand voor de betrokkene tot ernstige gevolgen leidt, met name voor diens gezondheid. De wetgever heeft bij het begrip ‘zeer dringende redenen’ gedacht aan een extreme situatie en heeft nadrukkelijk niet beoogd een algemene ontsnappingsclausule te bieden. Daarom moet het gaan om een schrijnende situatie waarvan het evident is dat weigering van bijstand zonder meer onaanvaardbaar is.
4.7.
Appellant voert aan dat in zijn geval sprake is van zeer dringende redenen en wijst in dit verband op de volgende feiten en omstandigheden. Het zicht van appellant is verder afgenomen. Hij had ten tijde van de aanvraag een sterke afwijking aan beide ogen van respectievelijk min 13 en min 14. Omdat de bril en contactlenzen die appellant had sterk afweken van het zicht dat appellant heeft, krijgt hij ernstige hoofdpijn, wordt hij duizelig en wordt hij daardoor min of meer gedwongen zoveel mogelijk binnen te blijven en dat zorgt bij hem voor psychische overbelasting. Het vrijwilligerswerk van appellant, waarbij hij ook de computer nodig heeft, komt in het gedrang omdat hij niet goed kan zien. Het is voor appellant noodzakelijk af te wisselen tussen een bril en contactlenzen. Ook deze beroepsgrond slaagt niet.
4.8.
Het is aan appellant om feiten en omstandigheden aannemelijk te maken die het oordeel kunnen dragen dat zich zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de PW voordoen. Hij beroept zich immers op een uitzonderingssituatie. Appellant is niet in de op hem rustende bewijslast geslaagd. Daarvoor is het volgende van belang.
4.8.1.
Het college stelt zich terecht op het standpunt dat appellant wel stelt welke gevolgen het niet vergoeden van de kosten voor hem heeft, maar dat hij deze gevolgen op geen enkele wijze onderbouwt. De Raad acht het voorstelbaar dat het voor appellant met een bril en lenzen die niet de juiste sterkte hebben lastig is om te functioneren, maar appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een acute noodsituatie. Er is dan ook onvoldoende grond voor het oordeel dat het in dit geval gaat om een schrijnende situatie waarin het evident is dat weigering van bijstand zonder meer onaanvaardbaar is. Het enkele feit dat sprake is van een sterke afwijking is daarvoor onvoldoende. Dat zou er immers toe leiden dat, in strijd met de bedoeling van de wetgever, een algemene ontsnappingsclausule wordt geboden voor alle personen met een sterke afwijking.
Vertrouwensbeginsel
4.9.
Appellant doet tot slot een beroep op het vertrouwensbeginsel. Daartoe stelt appellant dat het college de indruk heeft gewekt de aanvraag te toetsen aan artikel 35 van de PW door verschillende stukken op te vragen, zoals offertes, terwijl het college al wist dat een voorliggende voorziening aan toekenning in de weg zou staan. Ook komt betekenis toe aan het feit dat het college geen vragen heeft gesteld over de zeer dringende redenen. Deze beroepsgrond slaagt niet.
4.10.
Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is in de eerste plaats vereist dat de betrokkene aannemelijk maakt dat van de zijde van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en, zo ja, hoe het bestuursorgaan in een concreet geval een bevoegdheid zou uitoefenen.
Conclusie
4.12.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de afwijzing van de aanvraag om bijzondere bijstand in stand blijft.
5. Appellant krijgt daarom geen vergoeding voor zijn proceskosten. Hij krijgt ook het betaalde griffierecht niet terug.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen aanspraak.
Deze uitspraak is gedaan door P.W. van Straalen, in tegenwoordigheid van A.M. Korver als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 januari 2024.
(getekend) P.W. van Straalen
(getekend) A.M. Korver
Bijlage: regelgeving
Participatiewet
Artikel 5 Bijstand en voorliggende voorziening
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
(…)
e. voorliggende voorziening: elke voorziening buiten deze wet waarop de belanghebbende of het gezin aanspraak kan maken, dan wel een beroep kan doen, ter verwerving van middelen of ter bekostiging van specifieke uitgaven.
Artikel 15 Voorliggende voorziening
1. Geen recht op bijstand bestaat voor zover een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening die, gezien haar aard en doel, wordt geacht voor de belanghebbende toereikend en passend te zijn. Het recht op bijstand strekt zich evenmin uit tot kosten die in de voorliggende voorziening als niet noodzakelijk worden aangemerkt.
(…).
Artikel 16 Zeer dringende redenen
1. Aan een persoon die geen recht op bijstand heeft, kan het college, gelet op alle omstandigheden, in afwijking van deze paragraaf, bijstand verlenen indien zeer dringende redenen daartoe noodzaken.
(…).
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 27 juli 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BN3307.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 13 december 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BU8263.
Uitspraken van 12 juli 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR2509 en 26 januari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:332.
Uitspraak van 10 oktober 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1970.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 17 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV1028.
Uitspraak van 13 juni 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:985.
ECLI:NL:CRVB:2020:559.