Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2024-12-10
ECLI:NL:CRVB:2024:2458
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
4,572 tokens
Inleiding
21/4127 TOZO-PV, 22/3829 TOZO-PV
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 16 november 2021, 20/5028 (aangevallen uitspraak 1) en van 9 november 2022, 22/2653 (aangevallen uitspraak 2) en uitspraak op de verzoeken om veroordeling tot vergoeding van schade
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)
de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) (Staat)
Datum uitspraak: 10 december 2024
Zitting hebben: A.M. Overbeeke, als voorzitter en E.J.M. Heijs en J.E. Jansen, als leden
Griffier: N. Benhaddou
De Raad heeft de hoger beroepen van appellante behandeld op een zitting van 10 december 2024. Appellante is ter zitting verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Mulders.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep
Aangevallen uitspraak 1 (21/4127 TOZO)
bevestigt de aangevallen uitspraak;
veroordeelt de Staat tot vergoeding van schade tot een bedrag van € 1.000,-.
Aangevallen uitspraak 2 (22/3829 TOZO)
verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.
Deze beslissingen zijn uitgesproken in het openbaar. Zij zijn gebaseerd op de volgende overwegingen.
Aangevallen uitspraak 1
1. Bij besluit van 28 mei 2020 heeft het college de aanvraag van appellante van 28 maart 2020 om algemene bijstand op grond van de Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers (Tozo 1) afgewezen. Met een besluit van 17 september 2020 (bestreden besluit 1) heeft het college het bezwaar van appellante tegen het besluit van 28 mei 2020 ongegrond verklaard. Het college heeft hieraan ten grondslag gelegd dat appellante geen zelfstandige is in de zin van de Tozo 1, omdat zij voor de voorziening van haar bestaan niet was aangewezen op arbeid in eigen bedrijf of zelfstandig beroep, omdat appellante van 1 maart 2020 tot 1 juni 2020 bijstand ingevolge de Participatiewet ontving.
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit 1 niet-ontvankelijk verklaard, omdat appellante het griffierecht van € 48,- niet had betaald. Daarbij heeft de rechtbank het beroep op betalingsonmacht niet gehonoreerd. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat een rechtzoekende die een beroep doet op betalingsonmacht aannemelijk moet maken dat het netto inkomen waarover hij maandelijks in de referteperiode kan beschikken minder bedraagt dan 90% van de voor een alleenstaande geldende bijstandsnorm. Anders dan appellante heeft aangevoerd geldt dit ook voor kleine ondernemers zoals appellante. Volgens de rechtbank heeft appellante niet aannemelijk gemaakt dat haar netto-inkomen in de referteperiode – die loopt van 22 september 2020 tot en met 11 december 2020 – lager was dan 90% van de bijstandsnorm. Appellante heeft haar inkomenssituatie niet inzichtelijk gemaakt. Zij heeft hierover tegenstrijdige verklaringen afgelegd en stukken overgelegd die grotendeels geen betrekking hadden op de referteperiode. Uit de door appellante verstrekte informatie en de ter zitting gegeven toelichting blijkt volgens de rechtbank niet dat appellante in betalingsonmacht verkeert. De rechtbank heeft hierbij in aanmerking genomen dat het college appellante – bij besluit van 25 november 2020 – over de periode 1 oktober 2020 tot en met 31 maart 2021 algemene bijstand heeft toegekend op grond van de Tozo naar de norm voor een alleenstaande.
2.1.
De rechtbank heeft verder, onder verwijzing naar vaste jurisprudentie, overwogen dat de beroepsgrond van appellante dat zij op grond van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) geen griffierecht is verschuldigd omdat zij van een minimuminkomen moet rondkomen, niet slaagt. De rechtbank heeft het verzoek om vrijstelling van betaling van het griffierecht definitief afgewezen.
3.1.
Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. De gronden die appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, zoals dat sprake is van betalingsonmacht en dat zij geen griffierecht is verschuldigd, zijn grotendeels een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. Appellante handhaaft onverminderd haar eerder ingenomen standpunten. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. De Raad kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en de overwegingen waarop dat oordeel rust.
3.2.
Appellante heeft verder aangevoerd dat de rechter partijdig en vooringenomen is geweest. Zij heeft daarbij gewezen op de omstandigheid dat de behandelend rechter (mede) verantwoordelijk was voor een zevental uitspraken met dezelfde procespartijen. Deze beroepsgrond slaagt niet. In de aangevallen uitspraak en de aantekeningen van de zitting zijn geen aanwijzingen voor het oordeel dat de rechter jegens appellante een vooringenomenheid koesterde of partijdig zou zijn geweest.
3.3.
Wat appellante verder nog in hoger beroep heeft aangevoerd kan niet leiden tot vernietiging van de aangevallen uitspraak 1. Dit betekent dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak 1 wordt bevestigd. Daarmee komt het verzoek van appellante om veroordeling tot vergoeding van schade, anders dan voor overschrijding van de redelijke termijn, niet voor inwilliging in aanmerking.
Overschrijding redelijke termijn
4. De Staat wordt veroordeeld tot betaling aan appellante van een immateriële schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn van in totaal € 1.000,-. Daarbij is het volgende van belang.
4.1.
Appellante heeft verzocht om schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM en artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, voor zover die het besluit van 28 mei 2020 betreft.
4.2.
Volgens vaste rechtspraak is in beginsel een vergoeding gepast van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan waarmee de redelijke termijn in een procedure is overschreden. Er is geen reden om in dit geval van dat uitgangspunt af te wijken.
4.3.
De maximaal toegestane behandelingsduur van vier jaar is overschreden met meer dan een half jaar, maar minder dan een jaar. Vanaf de ontvangst op 5 juni 2020 van het bezwaarschrift tegen het besluit van 28 mei 2020 tot de datum van deze uitspraak is namelijk ruim vier en een half jaar verstreken. Deze overschrijding moet volledig aan de bestuursrechter worden toegerekend.
5. Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is niet gebleken. Appellante krijgt het griffierecht niet terug, omdat het hoger beroep niet slaagt.
Aangevallen uitspraak 2
6. Met een besluit van 25 november 2020 heeft het college appellante algemene bijstand op grond van de Tozo toegekend naar de norm voor een alleenstaande over de periode van 1 oktober 2020 tot en met 31 maart 2021 (Tozo 3). Met een besluit van 17 april 2021 heeft het college appellante algemene bijstand toegekend op grond van de Tozo over de periode van 1 april 2021 tot en met 30 juni 2021 (Tozo 4). Appellante heeft op verschillende momenten bedragen aan het college terugbetaald in verband met inkomsten uit haar bedrijf.
6.1.
Met een besluit van 24 december 2021, gehandhaafd bij besluit van 6 mei 2022 (bestreden besluit 2), heeft het college de bijstand ingetrokken over de maanden december 2020, januari 2021, april 2021 en mei 2021, omdat de inkomsten van appellante hoger waren de bijstandsnorm, en de bijstand herzien over de maanden oktober 2020 en maart 2021. Het college heeft verder de ten onrechte gemaakte kosten van bijstand teruggevorderd tot een bedrag van € 2.564,70. Het college heeft de door appellante terugbetaalde bijstand van in totaal € 2.564,70 hiermee verrekend, en vastgesteld dat de vordering was voldaan.
7. Bij de aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit 2 ongegrond verklaard en een verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. In hoger beroep heeft appellante zich tegen de aangevallen uitspraak 2 gekeerd en een nieuw verzoek om schadevergoeding ingediend.
9. De Raad beoordeelt allereerst of appellante procesbelang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep.
9.1.
De indiener van een bezwaar- en (hoger) beroepschrift heeft pas procesbelang als het resultaat dat hij daarmee nastreeft daadwerkelijk kan worden bereikt en voor hem feitelijke betekenis kan hebben, oftewel voor de indiener zin heeft.
Inleiding
21/4127 TOZO-PV, 22/3829 TOZO-PV
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 16 november 2021, 20/5028 (aangevallen uitspraak 1) en van 9 november 2022, 22/2653 (aangevallen uitspraak 2) en uitspraak op de verzoeken om veroordeling tot vergoeding van schade
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)
de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) (Staat)
Datum uitspraak: 10 december 2024
Zitting hebben: A.M. Overbeeke, als voorzitter en E.J.M. Heijs en J.E. Jansen, als leden
Griffier: N. Benhaddou
De Raad heeft de hoger beroepen van appellante behandeld op een zitting van 10 december 2024. Appellante is ter zitting verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Mulders.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep
Aangevallen uitspraak 1 (21/4127 TOZO)
bevestigt de aangevallen uitspraak;
veroordeelt de Staat tot vergoeding van schade tot een bedrag van € 1.000,-.
Aangevallen uitspraak 2 (22/3829 TOZO)
verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.
Deze beslissingen zijn uitgesproken in het openbaar. Zij zijn gebaseerd op de volgende overwegingen.
Aangevallen uitspraak 1
1. Bij besluit van 28 mei 2020 heeft het college de aanvraag van appellante van 28 maart 2020 om algemene bijstand op grond van de Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers (Tozo 1) afgewezen. Met een besluit van 17 september 2020 (bestreden besluit 1) heeft het college het bezwaar van appellante tegen het besluit van 28 mei 2020 ongegrond verklaard. Het college heeft hieraan ten grondslag gelegd dat appellante geen zelfstandige is in de zin van de Tozo 1, omdat zij voor de voorziening van haar bestaan niet was aangewezen op arbeid in eigen bedrijf of zelfstandig beroep, omdat appellante van 1 maart 2020 tot 1 juni 2020 bijstand ingevolge de Participatiewet ontving.
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit 1 niet-ontvankelijk verklaard, omdat appellante het griffierecht van € 48,- niet had betaald. Daarbij heeft de rechtbank het beroep op betalingsonmacht niet gehonoreerd. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat een rechtzoekende die een beroep doet op betalingsonmacht aannemelijk moet maken dat het netto inkomen waarover hij maandelijks in de referteperiode kan beschikken minder bedraagt dan 90% van de voor een alleenstaande geldende bijstandsnorm. Anders dan appellante heeft aangevoerd geldt dit ook voor kleine ondernemers zoals appellante. Volgens de rechtbank heeft appellante niet aannemelijk gemaakt dat haar netto-inkomen in de referteperiode – die loopt van 22 september 2020 tot en met 11 december 2020 – lager was dan 90% van de bijstandsnorm. Appellante heeft haar inkomenssituatie niet inzichtelijk gemaakt. Zij heeft hierover tegenstrijdige verklaringen afgelegd en stukken overgelegd die grotendeels geen betrekking hadden op de referteperiode. Uit de door appellante verstrekte informatie en de ter zitting gegeven toelichting blijkt volgens de rechtbank niet dat appellante in betalingsonmacht verkeert. De rechtbank heeft hierbij in aanmerking genomen dat het college appellante – bij besluit van 25 november 2020 – over de periode 1 oktober 2020 tot en met 31 maart 2021 algemene bijstand heeft toegekend op grond van de Tozo naar de norm voor een alleenstaande.
2.1.
De rechtbank heeft verder, onder verwijzing naar vaste jurisprudentie, overwogen dat de beroepsgrond van appellante dat zij op grond van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) geen griffierecht is verschuldigd omdat zij van een minimuminkomen moet rondkomen, niet slaagt. De rechtbank heeft het verzoek om vrijstelling van betaling van het griffierecht definitief afgewezen.
3.1.
Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. De gronden die appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, zoals dat sprake is van betalingsonmacht en dat zij geen griffierecht is verschuldigd, zijn grotendeels een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. Appellante handhaaft onverminderd haar eerder ingenomen standpunten. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. De Raad kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en de overwegingen waarop dat oordeel rust.
3.2.
Appellante heeft verder aangevoerd dat de rechter partijdig en vooringenomen is geweest. Zij heeft daarbij gewezen op de omstandigheid dat de behandelend rechter (mede) verantwoordelijk was voor een zevental uitspraken met dezelfde procespartijen. Deze beroepsgrond slaagt niet. In de aangevallen uitspraak en de aantekeningen van de zitting zijn geen aanwijzingen voor het oordeel dat de rechter jegens appellante een vooringenomenheid koesterde of partijdig zou zijn geweest.
3.3.
Wat appellante verder nog in hoger beroep heeft aangevoerd kan niet leiden tot vernietiging van de aangevallen uitspraak 1. Dit betekent dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak 1 wordt bevestigd. Daarmee komt het verzoek van appellante om veroordeling tot vergoeding van schade, anders dan voor overschrijding van de redelijke termijn, niet voor inwilliging in aanmerking.
Overschrijding redelijke termijn
4. De Staat wordt veroordeeld tot betaling aan appellante van een immateriële schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn van in totaal € 1.000,-. Daarbij is het volgende van belang.
4.1.
Appellante heeft verzocht om schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM en artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, voor zover die het besluit van 28 mei 2020 betreft.
4.2.
Volgens vaste rechtspraak is in beginsel een vergoeding gepast van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan waarmee de redelijke termijn in een procedure is overschreden. Er is geen reden om in dit geval van dat uitgangspunt af te wijken.
4.3.
De maximaal toegestane behandelingsduur van vier jaar is overschreden met meer dan een half jaar, maar minder dan een jaar. Vanaf de ontvangst op 5 juni 2020 van het bezwaarschrift tegen het besluit van 28 mei 2020 tot de datum van deze uitspraak is namelijk ruim vier en een half jaar verstreken. Deze overschrijding moet volledig aan de bestuursrechter worden toegerekend.
5. Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is niet gebleken. Appellante krijgt het griffierecht niet terug, omdat het hoger beroep niet slaagt.
Aangevallen uitspraak 2
6. Met een besluit van 25 november 2020 heeft het college appellante algemene bijstand op grond van de Tozo toegekend naar de norm voor een alleenstaande over de periode van 1 oktober 2020 tot en met 31 maart 2021 (Tozo 3). Met een besluit van 17 april 2021 heeft het college appellante algemene bijstand toegekend op grond van de Tozo over de periode van 1 april 2021 tot en met 30 juni 2021 (Tozo 4). Appellante heeft op verschillende momenten bedragen aan het college terugbetaald in verband met inkomsten uit haar bedrijf.
6.1.
Met een besluit van 24 december 2021, gehandhaafd bij besluit van 6 mei 2022 (bestreden besluit 2), heeft het college de bijstand ingetrokken over de maanden december 2020, januari 2021, april 2021 en mei 2021, omdat de inkomsten van appellante hoger waren de bijstandsnorm, en de bijstand herzien over de maanden oktober 2020 en maart 2021. Het college heeft verder de ten onrechte gemaakte kosten van bijstand teruggevorderd tot een bedrag van € 2.564,70. Het college heeft de door appellante terugbetaalde bijstand van in totaal € 2.564,70 hiermee verrekend, en vastgesteld dat de vordering was voldaan.
7. Bij de aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit 2 ongegrond verklaard en een verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. In hoger beroep heeft appellante zich tegen de aangevallen uitspraak 2 gekeerd en een nieuw verzoek om schadevergoeding ingediend.
9. De Raad beoordeelt allereerst of appellante procesbelang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep.
9.1.
De indiener van een bezwaar- en (hoger) beroepschrift heeft pas procesbelang als het resultaat dat hij daarmee nastreeft daadwerkelijk kan worden bereikt en voor hem feitelijke betekenis kan hebben, oftewel voor de indiener zin heeft.