Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2024-12-10
ECLI:NL:CRVB:2024:2431
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
1,284 tokens
Inleiding
Datum uitspraak: 10 december 2024
24/685 WIA-V
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:55, zevende lid, en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 14 december 2023, 23/2913 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Procesverloop
Bij uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht van 11 juli 2024 heeft de Raad het door appellante ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard.
Appellante heeft verzet gedaan.
Het verzet is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 11 november 2024.
Appellante is verschenen. Het Uwv heeft zich niet laten vertegenwoordigen.
Overwegingen
De uitspraak van de Raad van 11 juli 2024 berust op de overwegingen dat het verschuldigde griffierecht niet binnen de gestelde termijn is bijgeschreven op de rekening van de Raad en dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellante niet in verzuim is geweest.
Vaststaat dat het griffierecht te laat is betaald.
Hetgeen appellante ter zitting naar voren heeft gebracht, heeft de Raad ervan overtuigd dat de overschrijding van de voor de betaling van het griffierecht gestelde termijn verschoonbaar moet worden geacht. Van verwijtbaarheid van appellante is geen sprake. Veeleer is sprake van overmacht als gevolg van haar penibele financiële situatie.
Het verzet moet daarom gegrond worden verklaard.
Dit betekent dat de uitspraak van de Raad van 11 juli 2014 vervalt en dat het onderzoek wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond.
Voor een veroordeling in de kosten van het verzet bestaat, gelet op de gang van zaken, geen grond.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzet gegrond.
Deze uitspraak is gedaan door E.C.G. Okhuizen, in tegenwoordigheid van F. Sporrel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 december 2024.
(getekend) E.C.G. Okhuizen
(getekend) F. Sporrel
Inleiding
Datum uitspraak: 10 december 2024
24/685 WIA-V
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:55, zevende lid, en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 14 december 2023, 23/2913 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Procesverloop
Bij uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht van 11 juli 2024 heeft de Raad het door appellante ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard.
Appellante heeft verzet gedaan.
Het verzet is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 11 november 2024.
Appellante is verschenen. Het Uwv heeft zich niet laten vertegenwoordigen.
Overwegingen
De uitspraak van de Raad van 11 juli 2024 berust op de overwegingen dat het verschuldigde griffierecht niet binnen de gestelde termijn is bijgeschreven op de rekening van de Raad en dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellante niet in verzuim is geweest.
Vaststaat dat het griffierecht te laat is betaald.
Hetgeen appellante ter zitting naar voren heeft gebracht, heeft de Raad ervan overtuigd dat de overschrijding van de voor de betaling van het griffierecht gestelde termijn verschoonbaar moet worden geacht. Van verwijtbaarheid van appellante is geen sprake. Veeleer is sprake van overmacht als gevolg van haar penibele financiële situatie.
Het verzet moet daarom gegrond worden verklaard.
Dit betekent dat de uitspraak van de Raad van 11 juli 2014 vervalt en dat het onderzoek wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond.
Voor een veroordeling in de kosten van het verzet bestaat, gelet op de gang van zaken, geen grond.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzet gegrond.
Deze uitspraak is gedaan door E.C.G. Okhuizen, in tegenwoordigheid van F. Sporrel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 december 2024.
(getekend) E.C.G. Okhuizen
(getekend) F. Sporrel