Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2024-12-04
ECLI:NL:CRVB:2024:2362
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
1,510 tokens
Inleiding
24/25 WLZ
Datum uitspraak: 4 december 2024
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 27 november 2023, 23/1050 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het CAK
SAMENVATTING
Deze zaak gaat over de eigen bijdrage voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg. Appellante stelt dat zij moet worden vrijgesteld van deze eigen bijdrage. De Raad geeft haar geen gelijk.
Procesverloop
Namens appellante heeft mr. R.A.N.H. Theeuwen-Verkoeijen, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het CAK heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 15 november 2024. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Theeuwen-Verkoeijen. Namens het CAK zijn mr. R. Usmany en mr. E. Spruyt verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante, geboren in 1969, is geïndiceerd voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz). Zij ontvangt een modulair pakket thuis en persoonsgebonden budget. Op grond van de Wlz, het Besluit langdurige zorg (Blz) en de Regeling langdurige zorg (Rlz) is appellante hiervoor een eigen bijdrage verschuldigd.
1.2.
Op 6 september 2022 heeft appellante een aanvraag om vrijstelling voor de eigen bijdrage ingediend.
1.3.
Met een besluit van 27 september 2022 heeft het CAK de hoogte van de eigen bijdrage met ingang van 1 september 2022 vastgesteld op € 24,80 per maand. Dit is de lage eigen bijdrage.
1.4.
Met een besluit van 17 november 2022, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 23 februari 2023 (bestreden besluit), heeft het CAK de aanvraag om vrijstelling voor de eigen bijdrage afgewezen. De reden hiervan is dat het inkomen van appellante in de periode van 1 september 2022 tot en met 31 december 2022 hoger is dan de grens voor vrijstelling en niet is gebleken van aftrekposten en/of bijzondere omstandigheden. Hierbij gaat het CAK uit van een maandinkomen van € 1.115,33 en een vrijstellingsgrens van € 407,69.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Ook heeft de rechtbank het verzoek van appellante om schadevergoeding afgewezen.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het niet eens met de uitspraak van de rechtbank. Volgens appellante is ten onrechte geen rekening gehouden met de in bezwaar en beroep aangevoerde bijzondere individuele omstandigheden. Gelet op deze omstandigheden is de te betalen eigen bijdrage disproportioneel en derhalve niet redelijk te noemen.
Beoordeling
4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit in stand heeft gelaten en het verzoek om schadevergoeding heeft afgewezen aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.
4.1.
Niet in geschil is dat het CAK de eigen bijdrage heeft vastgesteld in overeenstemming met de in het Blz en de Rlz neergelegde regels over de heffing en berekening van de eigen bijdrage. Ook heeft appellante de juistheid van de door het CAK gehanteerde inkomensgegevens niet betwist.
4.2.
Het is vaste rechtspraak dat de regels van het Blz en de Rlz over de heffing en berekening van de eigen bijdrage dwingendrechtelijk van aard zijn en limitatief zijn gesteld. De regels bevatten geen hardheidsclausule en bieden geen ruimte om rekening te houden met bijzondere omstandigheden. Niettemin kunnen er bijzondere omstandigheden zijn die maken dat in het voorliggende geval toepassing van het wettelijk voorschrift voor betrokkene zozeer in strijd komt met het evenredigheidsbeginsel dat die toepassing achterwege moet blijven.
4.3.
De Raad is van oordeel dat in de situatie van appellante geen sprake is van bijzondere omstandigheden die maken dat de uitkomst van het bestreden besluit in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Dat zij een inkomen heeft op minimumniveau is hiervoor onvoldoende. Haar inkomen ligt nog altijd ruim boven de in de regelgeving opgenomen grens voor vrijstelling van de eigen bijdrage. Dat zij van haar inkomen niet zou kunnen rondkomen kan niet tot een andere conclusie leiden, alleen al omdat appellante dit niet heeft onderbouwd.
Conclusie
4.4.
Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat het oordeel van de rechtbank over het bestreden besluit en het verzoek om schadevergoeding in stand blijft.
5. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor eventuele proceskosten en het betaalde griffierecht.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.J. Janssen, in tegenwoordigheid van R.R Olde Engberink als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 december 2024.
(getekend) J.J. Janssen
(getekend) R.R. Olde Engberink
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 23 december 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:3519.
Vergelijk de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) van 26 maart 2024, ECLI:NL:CBB:2024:190, en zie de uitspraak van de Raad van 19 juli 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1474.