Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2024-11-12
ECLI:NL:CRVB:2024:2355
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
1,818 tokens
Inleiding
24/675 PW-PV
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 8 februari 2024, 23/1066 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Almere (college)
Datum uitspraak: 12 november 2024
Zitting heeft: E.C.E. Marechal
Griffier: N. Benhaddou
In deze zaak heeft een (telefonische) intake met beide partijen plaatsgevonden. Bij brief van 12 juli 2024 heeft de Raad het intakeverslag naar partijen gestuurd.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 12 november 2024. Voor appellante is verschenen mr. P.A.J. van Putten. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door J.M. van Holt.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
1. Appellante ontving vanaf 28 augustus 2007, laatstelijk op grond van de Participatiewet (PW), bijstand naar de norm voor een alleenstaande. Zij heeft een zoon, geboren op [geboortedatum] 2008 (de zoon).
2. Op 2 juli 2018 heeft het team Handhaving van de gemeente Almere een anonieme tip ontvangen, inhoudende dat appellante al vier jaar met een man (X) samenwoont en dat zij een zoon hebben. Naar aanleiding daarvan heeft de sociale recherche onderzoek gedaan naar de rechtmatigheid van de aan appellante verstrekte bijstand. In dat kader heeft de sociale recherche in de periode van 19 april 2022 tot en met 7 september 2022 waarnemingen verricht. Ook is het waterverbruik opgevraagd en is appellante op 7 september 2022 gehoord. Van het gehoor is een verslag gemaakt. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 12 september 2022.
3. Het college heeft met twee besluiten van 20 september 2022 en 24 oktober 2022, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 9 januari 2023 (bestreden besluit), de bijstand met ingang van 5 april 2022 ingetrokken en de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 5 april 2022 tot en met 31 augustus 2022 tot een bedrag van € 5.168,44 van appellante teruggevorderd. Het college heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat appellante in voornoemde periode met X een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd. Er is sprake van relatief hoog waterverbruik en ook uit de waarnemingen blijkt dat X zijn hoofdverblijf bij appellante had. De auto van X is namelijk 11 van de 13 keer in de ochtend nabij het uitkeringsadres aangetroffen. Daarnaast heeft appellante op 7 september 2022 verklaard dat X vanaf 2014 bij haar woont, aldus het college.
4. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Appellante heeft daartegen hoger beroep ingesteld.
5. In deze zaak gaat het om de vraag of de intrekking en terugvordering van de bijstand in stand kunnen blijven. De te beoordelen periode loopt in dit geval van 5 april 2022 tot en met 31 augustus 2022.
6. Hangende het hoger beroep is X overleden. Tussen partijen staat inmiddels vast dat X de biologische vader van de zoon was. Hierdoor is het onweerlegbaar rechtsvermoeden van artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de PW van toepassing. Voor de beantwoording van de vraag of appellante en X een gezamenlijke huishouding voerden is daarom bepalend of zij in de te beoordelen periode hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden.
Kan appellante aan haar verklaring worden gehouden?
7. Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat zij niet aan haar verklaring van 7 september 2022 kan worden gehouden. Appellante stelt dat zij tijdens het gehoor onder druk is gezet, dat zij de telefonische tolk niet goed kon verstaan en dat het verslag van het gehoor geen juiste weergave bevat van wat zij heeft verklaard. Verder heeft de sociaal rechercheur haar verklaringen ten onrechte niet in het Nederlands en ook niet in het Turks aan haar voorgelezen. Deze beroepsgrond slaagt niet.
7.1. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat er geen aanknopingspunten zijn om aan te nemen dat appellante haar verklaringen onder ontoelaatbare druk heeft afgelegd. Verder is niet aannemelijk geworden dat appellante de tolk niet goed heeft begrepen. Uit het verslag van het gehoor blijkt niet dat zij tijdens het gehoor heeft aangegeven dat zij de tolk of wat haar gevraagd werd niet begreep. Appellante heeft aan het einde van het gehoor ook verklaard dat zij de tolk goed heeft begrepen. Uit het verslag van het gehoor blijkt dat appellante aan het einde van het gehoor uitdrukkelijk heeft gezegd dat de sociaal rechercheurs haar verklaring niet (nogmaals) hoefden te “verklaren” (de Raad begrijpt: voor te lezen) en dat zij deze vervolgens zonder voorbehoud per bladzijde heeft ondertekend. Hieruit blijkt dat appellante er zelf voor heeft gekozen om het verslag te ondertekenen, zonder dat het eerst aan haar werd voorgelezen. Dat dit niet is gebeurd kan het college dan ook niet worden tegengeworpen.
Is er voldoende feitelijke grondslag voor gezamenlijk hoofdverblijf?
7.2. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat het verslag van gehoor een onjuiste weergave bevat van wat zij heeft verklaard. Appellante heeft niet geconcretiseerd op welke punten die weergave onjuist zou zijn. Haar standpunt dat uit de door haar afgelegde en in het verslag neergelegde verklaring niet volgt dat zij en X in de te beoordelen periode hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden, treft geen doel. Appellante heeft na aanvankelijke ontkenning uiteindelijk desgevraagd ondubbelzinnig verklaard dat zij al vanaf 2014 samenwoont met X. Daarna heeft zij verklaard dat zij daarover eerder had gelogen opdat de sociaal rechercheurs niet te weten zouden komen dat X bij haar inwoonde en zodat haar uitkering niet werd ingetrokken. Tot slot heeft appellante verklaard dat zij alles nu had opgebiecht en dat een aanvullend huisbezoek daarom niet meer noodzakelijk was. De in het verslag neergelegde verklaring van appellante tezamen met de overige bevindingen van het onderzoek bieden voldoende feitelijke grondslag voor de conclusie dat appellante en X in de te beoordelen periode gezamenlijk hun hoofdverblijf hadden in de woning van appellante.
8. De conclusie is dat het hoger beroep niet slaagt. Appellante krijgt daarom geen vergoeding voor haar proceskosten en het griffierecht.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
(getekend) N. Benhaddou (getekend) E.C.E. Marechal
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip gezamenlijke huishouding.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 10 november 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3937.