Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2024-11-28
ECLI:NL:CRVB:2024:2261
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
1,182 tokens
Inleiding
Datum uitspraak: 28 november 2024
21/4585 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 1 december 2021, 21/2214 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Procesverloop
Namens appellante heeft mr. G.A.H.M. Steenbakkers, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 juli 2023. Namens appellante is verschenen mr. Steenbakkers. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.M.M. Schalkwijk.
De Raad heeft het onderzoek heropend en dr. H.N. Sno, psychiater, als deskundige benoemd. Op 2 april 2024 heeft de deskundige een rapport uitgebracht. Namens appellante heeft de opvolgend gemachtigde mr. H.A. Rispens, advocaat, een zienswijze gegeven op dit rapport. Bij brieven van 13 mei 2024, 3 juni 2024 en 10 juli 2024 heeft het Uwv gereageerd.
Het Uwv heeft tevens op 10 juli 2024 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen waarbij het bezwaar van appellante opnieuw gegrond is verklaard, zij met ingang van 1 december 2020 volledig arbeidsongeschikt wordt geacht en haar WGA-vervolguitkering met ingang van die datum wordt omgezet in een WGA-loonaanvullingsuitkering. Het Uwv heeft in de nieuwe beslissing een vergoeding ter zake van de kosten van bezwaar toegekend.
Appellante heeft vervolgens het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten in beroep en hoger beroep.
Het Uwv heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid een verweerschrift in te dienen.
Onder toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Op grond van artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Vastgesteld wordt dat met de nieuwe beslissing op bezwaar van 10 juli 2024 appellante alsnog met ingang van 1 december 2020 volledig arbeidsongeschikt wordt geacht en dat de WGA-vervolguitkering van appellante met ingang van die datum is omgezet in een WGA-loonaanvullingsuitkering.
Aldus is aan appellante tegemoetgekomen. Het Uwv wordt veroordeeld in de kosten die appellante in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De proceskosten worden, op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 1.750,- in beroep (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 875,- en wegingsfactor 1) en € 2.625,- in hoger beroep (1 punt voor het hoger beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 0,5 punt voor het geven van een zienswijze op het deskundigenrapport en 0,5 punt voor de reactie op de nieuwe beslissing op bezwaar met een waarde per punt van € 875,- en wegingsfactor 1), aan kosten van rechtsbijstand. Er bestaat tevens aanleiding het Uwv te veroordelen in de reiskosten van appellante in beroep tot een bedrag van € 33,29. Totaal: € 4.408,29.
Ook moet het Uwv het door appellante in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht vergoeden.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep
veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van in totaal € 4.408,29;
bepaalt dat het Uwv aan appellante het door haar in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 185,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door A.I. van der Kris, in tegenwoordigheid van S. Pouw als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 november 2024.
(getekend) A.I. van der Kris
(getekend) S. Pouw