Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2024-11-21
ECLI:NL:CRVB:2024:2258
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste en enige aanleg
1,279 tokens
Inleiding
24/89 WUV
Datum uitspraak: 21 november 2024
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak in het geding tussen
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (verweerder)
SAMENVATTING
De aanvraag van appellant om toekenning van een voorziening voor verhuis- en herinrichtingskosten is op goede gronden afgewezen. De Raad onderschrijft het standpunt van verweerder dat de psychische klachten van appellant geen medische indicatie vormden om te verhuizen.
Procesverloop
Appellant heeft beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 22 december 2023, kenmerk BZ011623974 (bestreden besluit). Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 10 oktober 2024. Appellant is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.L. van de Wiel.
Overwegingen
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant, geboren in 1942, is vervolgde in de zin van de Wuv. Aanvaard is dat hij psychische klachten heeft die in verband staan met de ondergane vervolging. Aan appellant zijn op grond van de Wuv enige voorzieningen toegekend.
1.2.
In juli 2023 heeft appellant verzocht om een voorziening voor verhuis- en herinrichtingskosten.
1.3.
Met een besluit van 8 september 2023 heeft verweerder dat verzoek afgewezen, omdat de gevraagde voorziening niet medisch noodzakelijk of medisch sociaal-wenselijk is in relatie tot de bij appellant aanwezige psychische klachten. Het hiertegen gemaakte bezwaar is met het bestreden besluit ongegrond verklaard.
Beoordeling
2.1.
De Raad beoordeelt of verweerder terecht het verzoek van appellant om toekenning van een voorziening voor verhuis- en herinrichtingskosten heeft afgewezen. Hij doet dit aan de hand van wat appellant in beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het beroep niet slaagt.
2.2.
Verweerder hanteert als beleid dat een vergoeding als bedoeld in artikel 20 van de Wuv voor verhuis- en herinrichtingskosten kan worden toegekend als de causale klachten een verhuizing naar een andere (adequate) woning medisch noodzakelijk maken. Voor het toekennen van een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 21 van de Wuv geldt – kort gezegd – de voorwaarde dat de verhuizing medisch noodzakelijk is op grond van niet-causale klachten waarbij een causale aandoening een belangrijke factor vormt in de noodzaak van de verhuizing.
2.3.
Uit de medische gegevens blijkt niet dat aan de – inmiddels plaatsgevonden – verhuizing een medische noodzaak ten grondslag ligt. De geneeskundig adviseur R.J. Roelofs, arts, concludeert op basis van een persoonlijk onderhoud met appellant dat de psychische klachten van appellant niet van dusdanige aard zijn dat hierdoor een medische noodzaak bestaat om te verhuizen. Aan de criteria voor een medisch-sociale wenselijkheid voor de verhuizing wordt ook niet voldaan, omdat appellant geen lichamelijke aandoeningen heeft die een verhuizing noodzakelijk maken. Uit de medische stukken en op grond van wat appellant hierover heeft verklaard komt immers naar voren dat de verhuizing voornamelijk is ingegeven door de pijnlijke herinneringen na het plotseling overlijden van zijn echtgenote. De woning werd ook te groot en bewerkelijk voor appellant alleen. Hij wilde in de nabijheid van zijn dochters een nieuwe start maken. Na het overlijden van de echtgenote is de innerlijke onrust (“hinauswee”) in alle hevigheid teruggekomen, maar zoals appellant op de zitting heeft verklaard heeft de verhuizing niet geleid tot verbetering van die onrust. Appellant heeft nog gewezen op de verminderde inkomsten na het overlijden van zijn echtgenote en dat het daardoor financieel niet meer haalbaar was om in de (grote) woning te blijven wonen, maar dat is een omstandigheid die bij de beoordeling van gevraagde voorziening niet kan worden meegenomen.
Conclusie
2.4.
Het beroep slaagt dus niet. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en appellant geen aanspraak kan maken op de gevraagde voorziening voor verhuis- en herinrichtingskosten.
3. Appellant krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door H. Lagas, in tegenwoordigheid van I. van der Hout als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 november 2024.
(getekend) H. Lagas
(getekend) I. van der Hout
Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945.