Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2024-10-23
ECLI:NL:CRVB:2024:1996
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
1,620 tokens
Inleiding
23/2244 WIA
Datum uitspraak: 23 oktober 2024
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 15 juni 2023, 22/1886 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht per 23 juni 2021 een loongerelateerde WIA-uitkering aan appellant heeft toegekend waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 46,22%.
Procesverloop
Appellant heeft hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend. Het Uwv heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 8 mei 2024. Appellant is verschenen, bijgestaan door [gemachtigde] . Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. J.C. van Beek.
Overwegingen
Inleiding
1.1.
Appellant heeft voor het laatst gewerkt als onderhoudsmonteur voor 44,47 uur per week. Op 26 juni 2019 heeft hij zich ziekgemeld met schouderklachten na een bedrijfsongeval. Daarnaast had appellant rugklachten. Nadat appellant een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) had ingediend, heeft onderzoek plaatsgevonden door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige van het Uwv. De verzekeringsarts heeft vastgesteld dat appellant bij het verrichten van werkzaamheden beperkingen heeft en heeft die beperkingen neergelegd in een zogenoemde Functionele Mogelijkhedenlijst van 12 mei 2021. De arbeidsdeskundige heeft op basis daarvan vastgesteld dat appellant niet meer geschikt is voor zijn laatste werk. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens voor appellant functies geselecteerd en een mate van arbeidsongeschiktheid berekend van 46,22%. Het Uwv heeft met een besluit van 31 mei 2021 aan appellant met ingang van 23 juni 2021 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet WIA toegekend.
1.2.
Met een beslissing op bezwaar van 8 maart 2022 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien voor twijfel aan de juistheid van het medisch oordeel van het Uwv. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het rapport van 13 januari 2022 inzichtelijk gemotiveerd dat er geen aanleiding is om per 23 juni 2021 meer beperkingen aan te nemen. Ook heeft de rechtbank geen aanleiding gezien voor twijfel aan de medische geschiktheid van de geselecteerde functies.
Het standpunt van appellant
3.1.
Appellant heeft herhaald dat hij als gevolg van het bedrijfsongeval meer beperkingen heeft. Hij acht zich niet in staat de geselecteerde functies te verrichten. Inmiddels is met ingang van 5 december 2022 een IVA-uitkering toegekend. Appellant heeft gesteld dat de IVA-uitkering al per einde wachttijd, 23 juni 2021, moet ingaan.
Het standpunt van het Uwv
3.2.
Het Uwv heeft een rapport ingebracht van 8 januari 2024 van een verzekeringsarts bezwaar en beroep. Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
Beoordeling
4.1.
Op grond van artikel 5 van de Wet WIA bestaat recht op een WIA-uitkering als een betrokkene ten minste 35% arbeidsongeschikt is. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt berekend door het loon dat een betrokkene in zijn laatste werk nog had kunnen verdienen, te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek. Beide aspecten worden hieronder besproken.
4.2.
De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het medisch onderzoek door het Uwv voldoende zorgvuldig is geweest en dat er geen aanleiding is voor twijfel aan de juistheid van de medische beoordeling. Het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen worden onderschreven. Naar aanleiding van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, wordt hieraan nog het volgende toegevoegd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het rapport van 8 januari 2024 toegelicht dat in verband met toegenomen rug-, hand/armklachten en nieuwe psychische klachten per 5 december 2022 sprake is van een verslechterde medische situatie. Met betrekking tot de toegenomen fysieke beperkingen is daarbij vastgesteld dat geen verbetering meer wordt verwacht. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft toegelicht dat de toegenomen beperkingen nog niet aan de orde waren op de datum in geding, 23 juni 2021. Er is geen aanleiding om aan de juistheid van deze conclusie te twijfelen. Uit de toekenning van de IVA-uitkering met ingang van 5 december 2022 volgt dan ook niet dat appellant op 23 juni 2021 volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is.
4.3.
Wat appellant heeft aangevoerd geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de geselecteerde functies in medisch opzicht voor hem niet geschikt zijn.
Conclusie
5. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de toekenning van de loongerelateerde WIA-uitkering aan appellant waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 46,22% in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier, in tegenwoordigheid van S.P.A. Elzer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 oktober 2024.
(getekend) H.G. Rottier
(getekend) S.P.A. Elzer