Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2024-10-15
ECLI:NL:CRVB:2024:1974
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
2,347 tokens
Inleiding
22/2956 PW
Datum uitspraak: 15 oktober 2024
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 1 augustus 2022, 22/1521 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Voorne aan Zee (college)
SAMENVATTING
In deze zaak gaat het om een terugvordering van bijstand met als reden dat appellante een groot bedrag had ontvangen waarop zij al aanspraak had in de periode waarin zij bijstand ontving. Die aanspraak is volgens het college ontstaan op het moment dat appellante een overeenkomst sloot met een bedrijf met wie zij een geschil had. Eén van de onderdelen van die overeenkomst was dat appellante een gedeelte van de verkoopprijs van haar nog te verkopen woning toekwam. Na verkoop van de woning heeft zij het overeengekomen deel van de verkoopprijs ontvangen. Volgens appellante is de aanspraak op dat bedrag pas ontstaan op het moment dat zij dat ontving. Zij krijgt daarin geen gelijk.
Procesverloop
Het college is in dit geding in de plaats getreden van het college van burgemeester en wethouders van de voormalige gemeente Westvoorne. Dat is het gevolg van een gemeentelijke herindeling. In deze uitspraak wordt onder het college ook verstaan het college van burgemeester en wethouders van Westvoorne.
Namens appellante heeft mr. R.J. Michielsen, advocaat, hoger beroep ingesteld.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 3 september 2024. Voor appellante is mr. Michielsen verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.L. Groeneveld en P. Roodink.
Overwegingen
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Het college heeft appellante op grond van de Participatiewet (PW) bijstand toekend vanaf 12 januari 2017. Zij was in die periode eigenaar van de door haar bewoonde woning op het uitkeringsadres (woning). In het toekenningsbesluit staat dat het in de woning gebonden vermogen niet kan worden vastgesteld en dat het feitelijke vermogen waarover appellante beschikt € 5.863,97 bedraagt.
1.2.
Appellante had een zakelijk geschil met onder meer [naam BV] Daarover liep een procedure bij de rechtbank Rotterdam. Daarin heeft op 5 februari 2019 een comparitiezitting plaatsgevonden. Volgens het proces-verbaal van die zitting, dat is ondertekend door appellante en de directeur van [naam BV] , zijn appellante en [naam BV] , voor zover hier van belang, het volgende overeengekomen:
- [naam BV] zal met instemming van appellante de woning via een makelaar ter verkoop aanbieden.
- Van de ontvangen verkoopprijs zal € 150.000,- aan appellante toekomen. Partijen zullen de notaris die met het transport belast zal zijn verzoeken en opdragen dit bedrag van € 150.000,-meteen na ontvangst van de verkoopprijs rechtstreeks op de rekening van appellante te voldoen.
- Het restant van de verkoopprijs komt aan [naam BV] toe.
- Appellante zal de bij de rechtbank Den Haag aanhangige procedures tegen twee andere betrokken bedrijven intrekken, c.q. laten doorhalen.
1.3.
Op 4 december 2019 is de woning verkocht en heeft appellante een bedrag van € 150.000,- ontvangen.
1.4.
Met een besluit van 8 december 2021, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 17 februari 2022 (bestreden besluit), heeft het college de over de periode van 5 februari 2019 tot en met 3 december 2019 gemaakte kosten van bijstand van appellante teruggevorderd tot een bedrag van € 10.528,78. Het bestreden besluit is gebaseerd op artikel 58, tweede lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de PW. Hieraan ligt ten grondslag dat appellante achteraf kon beschikken over middelen die betrekking hadden op die bijstandsperiode. Zij kon namelijk volgens het college al op het moment van ondertekening van het proces-verbaal van 5 februari 2019 aanspraak maken op € 150.000,- van de te ontvangen verkoopprijs van haar woning.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee de terugvordering van de bijstand in stand gelaten.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met die uitspraak van de rechtbank niet eens. Zij heeft aangevoerd dat zij in de periode waarover de kosten van bijstand zijn teruggevorderd nog geen aanspraak had op het bedrag van € 150.000,-. Wat zij daarover verder naar voren heeft gebracht wordt hierna besproken.
Beoordeling
4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit in stand heeft gelaten. Hij doet dat aan de hand van de argumenten die appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
4.1.
Terugvordering van kosten van bijstand met toepassing van artikel 58, tweede lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de PW is mogelijk als de betrokkene op een eerder tijdstip in de periode waarover bijstand is verleend (aanspraak op) bepaalde middelen had, maar daarover op dat moment feitelijk nog niet (volledig) kon beschikken. Zodra de betrokkene wel over die middelen kan beschikken, kan de bijstandverlenende instantie de bijstand terugvorderen.
4.2.
Tussen partijen is uitsluitend in geschil op welk moment appellante aanspraak heeft gekregen op het bedrag van € 150.000,-. Appellante heeft ter onderbouwing van de beroepsgrond dat zij in de periode waarover de kosten van bijstand zijn teruggevorderd nog geen aanspraak had op dat bedrag het volgende betoogd. Zij had pas op 4 december 2019 aanspraak op de betaling van dat bedrag. Dat was onderdeel van de schikking die was getroffen om een aantal juridische procedures te beslechten. Pas op 4 december 2019 hadden alle overeengekomen vermogensrechtelijke handelingen plaatsgevonden en waren partijen over en weer geheel gekweten. Daarom moet volgens haar het bedrag van € 150.000,- worden toegerekend aan die datum, en dus niet aan de periode van 5 februari 2019 tot en met 3 december 2019. Deze beroepsgrond slaagt niet.
4.2.1.
Artikel 58, tweede lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de PW ziet op situaties waarin een betrokkene op een bepaald moment aanspraak krijgt op bestaansmiddelen, maar daarover pas op een later moment kan beschikken. Wanneer dergelijke middelen alsnog worden ontvangen, worden die toegerekend aan de periode waarop ze betrekking hebben. Voor zover over die periode bijstand is verleend kan de bijstandverlenende instantie de kosten van die bijstand terugvorderen.
4.2.2.
De overeenkomst die appellante en [naam BV] op 5 februari 2019 hebben gesloten om hun geschil te beëindigen hield onder meer in dat appellante recht had op € 150.000,- van de ontvangen verkoopprijs van de woning. Op dat moment stond vast dat de woning zou worden verkocht en dat dit minimaal € 150.000,- zou opbrengen, maar appellante kon dat bedrag pas ontvangen nadat een aantal vermogensrechtelijke handelingen waren verricht, zoals verkoop van de woning en overdracht van de woning aan de koper. De aanspraak is dan ook al bij het sluiten van de overeenkomst op 5 februari 2019 ontstaan. Zij kon echter pas naderhand beschikken over het bedrag waarop zij al met het sluiten van de overeenkomst aanspraak had gekregen.
4.2.3.
Gelet op het voorgaande heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat appellante al vanaf 5 februari 2019 aanspraak had op het bedrag van € 150.000,- waarover zij vanaf 4 december 2019 kon beschikken. Het college heeft dit bedrag terecht toegerekend aan de periode van 5 februari 2019 tot en met 3 december 2019. Anders dan appellante meent, was het college dus bevoegd om de kosten van over die periode verleende bijstand met toepassing van artikel 58, tweede lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de PW van haar terug te vorderen.
Conclusie
5. Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de terugvordering van bijstand in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door F. Hoogendijk als voorzitter en W.F. Claessens en W.A. Timmer als leden, in tegenwoordigheid van N. Benhaddou als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 oktober 2024.
(getekend) F. Hoogendijk
(getekend) N. Benhaddou
Kamerstukken II, 1991/92, 22545, nr. 3, p. 51.
Vergelijk de uitspraak van 4 maart 2003, ECLI:NL:CRVB:2003:AF6329.