Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2024-09-18
ECLI:NL:CRVB:2024:1840
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
952 tokens
Inleiding
23/2550 WAJONG
Datum uitspraak: 18 september 2024
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van
26 juli 2023, 23/722 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] te [plaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Procesverloop
Namens appellant heeft mr. A.J.E. Riemslag, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Op 7 mei 2024 heeft het Uwv een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen.
De Raad heeft de zaak gevoegd met de zaak 23/851 Wajong op een zitting van 7 augustus 2024 behandeld. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Riemslag. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. H. ten Brinke. Ter zitting heeft mr. Riemslag namens appellant het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten. Na de zitting zijn de zaken gesplitst en wordt daarin afzonderlijk uitspraak gedaan.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer van de Raad.
Overwegingen
In artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb is bepaald dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Namens appellant is het hoger beroep ingetrokken, omdat het Uwv met de gewijzigde beslissing op bezwaar van 7 mei 2024 aan de bezwaren van appellant is tegemoetgekomen.
De Raad ziet aanleiding om het Uwv te veroordelen in de kosten die appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De proceskosten worden, op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht, voor verleende rechtsbijstand begroot op een forfaitaire vergoeding per door de rechtsbijstandverlener verrichte proceshandeling, in dit geval € 1.750,- in hoger beroep (één punt voor het indienen van het hoger beroepschrift en één punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 875,-).
Het Uwv heeft ter zitting te kennen gegeven zich te kunnen vinden in de gevraagde reiskostenvergoeding per rolstoeltaxi van € 0,50 per kilometer voor het bijwonen van de zitting in beroep en hoger beroep. Gebaseerd op deze vergoeding van € 0,50 per kilometer en een (retour)afstand van respectievelijk 95,2 en 272 kilometer bedraagt de reiskostenvergoeding € 183,60,-. In totaal bedragen de door het Uwv te vergoeden proceskosten € 1.933,60.
Ook moet het Uwv het door appellant in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht vergoeden.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep
- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.933,60;
- bepaalt dat het Uwv aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 186,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door F.M. Rijnbeek, in tegenwoordigheid van D. Kovac als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 september 2024.
(getekend) F.M. Rijnbeek
(getekend) D. Kovac