Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2024-09-26
ECLI:NL:CRVB:2024:1825
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
853 tokens
Inleiding
Datum uitspraak: 26 september 2024
24/31 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van
28 november 2023, 22/1510
Partijen:
[appellant] uit [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Procesverloop
Namens appellant heeft mr. R.A.N.H. Theeuwen-Verkoeijen, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank.
Overwegingen
In artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), is bepaald dat het beroepschrift de gronden van het beroep dient te bevatten. Ingevolge artikel 6:24 van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Het ingediende beroepschrift bevat geen gronden.
Bij brief van 19 januari 2024 is de gemachtigde van appellant in de gelegenheid gesteld dit verzuim binnen vier weken te herstellen.
Bij digitaal bericht van 5 februari 2024 heeft de gemachtigde van appellant de Raad verzocht uitstel te verlenen voor het indienen van de gronden.
Bij aangetekende brief van 20 februari 2024 heeft de Raad aan de gemachtigde van appellant uitstel verleend voor het indienen van de gronden van het hoger beroep en is meegedeeld dat de Raad nader uitstel niet zal verlenen. Daarbij is een termijn van vier weken gesteld en is appellant erop gewezen dat overschrijding van die termijn tot gevolg kan hebben dat de zaak niet inhoudelijk wordt behandeld.
De gemachtigde van appellant heeft bij digitaal bericht van 14 maart 2024 nogmaals om uitstel gevraagd voor het indienen van de gronden.
Bij aangetekende brief van 20 maart 2024 heeft de Raad het verzoek om uitstel voor het indienen van de beroepsgronden afgewezen. Daarbij is meegedeeld dat de gemachtigde van appellant binnen twee weken na de datum van deze brief alsnog de gronden dient in te dienen, en is erop gewezen dat overschrijding van die termijn tot gevolg kan hebben dat de zaak niet inhoudelijk wordt behandeld.
De gemachtigde van appellant heeft deze termijn ongebruikt voorbij laten gaan.
Niet is gebleken van redenen die een verontschuldiging vormen voor dit verzuim. Het hoger beroep is kennelijk niet-ontvankelijk, zodat zonder verder onderzoek kan worden beslist.
Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door C. Karman, in tegenwoordigheid van A. Giesen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 september 2024.
(getekend) C. Karman
(getekend) A. Giesen
Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de verzending van het afschrift van deze uitspraak schriftelijk verzet doen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA UTRECHT. De indiener van het verzetschrift