Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2024-08-29
ECLI:NL:CRVB:2024:1765
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
1,544 tokens
Inleiding
23/462 WLZ
Datum uitspraak: 29 augustus 2024
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 23 december 2022, 22/2307 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
het CIZ
Procesverloop
Namens appellant heeft mr. M. Shaaban, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het CIZ heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 18 juli 2024. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Shaaban. Het CIZ heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.M.R. Kater.
Overwegingen
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant, geboren in 1991, is bekend met epilepsie en een psychotische stoornis.
1.2.
Bij besluit van 30 september 2021 heeft het CIZ de aanvraag van appellant voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz) afgewezen. Het CIZ heeft dit besluit na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 14 april 2022 (bestreden besluit). Hieraan heeft het CIZ ten grondslag gelegd dat bij appellant geen sprake is van een blijvende behoefte aan permanent toezicht of 24 uur per dag zorg in de nabijheid als bedoeld in artikel 3.2.1, eerste lid, van de Wlz.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellant heeft, kort samengevat, aangevoerd dat het onderzoek van het CIZ onzorgvuldig is geweest en dat hij een blijvende behoefte heeft aan permanent toezicht of 24 uur per dag zorg in de nabijheid.
Beoordeling
4. De Raad beoordeelt aan de hand van wat appellant heeft aangevoerd of het oordeel van de rechtbank over het bestreden besluit juist is. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. De wettelijke bepalingen die voor de beoordeling van het hoger beroep van belang zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
4.1.
De hoger beroepsgrond dat het onderzoek van het CIZ onzorgvuldig is geweest slaagt niet. Naar aanleiding van de aanvraag van appellant heeft een indicatiesteller van het CIZ een huisbezoek afgelegd waarbij met appellant is gesproken. Zoals de Raad eerder heeft geoordeeld, is hiermee voldaan aan artikel 3.2.2, eerste lid, van het Besluit langdurige zorg waarin is bepaald dat de voorbereiding van een indicatiebesluit in ieder geval een onderzoek van de verzekerde in persoon omvat. In bezwaar heeft de medisch adviseur van het CIZ informatie opgevraagd bij de behandelaars van appellant, waaronder sociaalpsychiatrisch verpleegkundige [X]. Mede op basis van deze informatie heeft de medisch adviseur geconcludeerd dat niet kan worden vastgesteld dat appellant een blijvende behoefte heeft aan permanent toezicht of 24 uur per dag zorg in de nabijheid. Nu er al een huisbezoek had plaatsgevonden, valt niet in te zien waarom het door de medisch adviseur thuis bezoeken van appellant toegevoegde waarde zou hebben.
4.2.
Appellant heeft ter onderbouwing van de stelling dat zijn beperkingen wel blijvend zijn verwezen naar een brief van 24 november 2022 van klinisch geneticus [Y]. Uit deze brief blijkt dat er een waarschijnlijk ziekteveroorzakende variant is gevonden in het SCN1B-gen, die de epilepsie bij appellant en bij zijn jongste broer en vader verklaart. Daarmee is echter nog niet de blijvendheid van de zorgbehoefte van appellant aangetoond. Appellant heeft geen stukken overgelegd die aanleiding geven om te twijfelen aan de conclusie van de medisch adviseur dat er ten aanzien van de epilepsie nog behandelmogelijkheden zijn en dat er bij de epileptische aanvallen geen sprake is van ernstig nadeel voor appellant. De hoger beroepsgrond dat appellant een blijvende behoefte heeft aan permanent toezicht of 24 uur per dag zorg in de nabijheid slaagt daarom niet.
Conclusie
5.1.
Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5.2.
Appellant krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten en krijgt ook het betaalde griffierecht niet terug.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door K.H. Sanders, in tegenwoordigheid van E.P.J.M. Claerhoudt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 augustus 2024.
(getekend) K.H. Sanders
(getekend) E.P.J.M. Claerhoudt
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke bepalingen
Artikel 3.2.1, eerste lid, Wet langdurige zorg
Een verzekerde heeft recht op zorg die op zijn behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden is afgestemd voor zover hij naar aard, inhoud en omvang en uit een oogpunt van doelmatige zorgverlening redelijkerwijs op die zorg is aangewezen omdat hij, vanwege een somatische of psychogeriatrische aandoening of beperking, een psychische stoornis of een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke handicap, een blijvende behoefte heeft aan:
a. permanent toezicht ter voorkoming van escalatie of ernstig nadeel voor de verzekerde, of
b. 24 uur per dag zorg in de nabijheid, omdat hij zelf niet in staat is om op relevante momenten hulp in te roepen en hij, om ernstig nadeel voor hem zelf te voorkomen,
1°. door fysieke problemen voortdurend begeleiding, verpleging of overname van zelfzorg nodig heeft, of
2°. door zware regieproblemen voortdurend begeleiding of overname van taken nodig heeft.
Artikel 3.2.2, eerste lid, Besluit langdurige zorg
De voorbereiding van een indicatiebesluit omvat in ieder geval een onderzoek van de verzekerde in persoon.
Zie de uitspraak van 20 februari 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:968.