Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2024-08-27
ECLI:NL:CRVB:2024:1764
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
1,574 tokens
Inleiding
Datum uitspraak: 27 augustus 2024
233158 PW, 24/1809 PW-VV
Centrale Raad van Beroep
Voorzieningenrechter
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak met toepassing van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 4 augustus 2023, 23/670 (aangevallen uitspraak), op het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Awb van 27 juli 2024 en op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade
Partijen:
[verzoekster] zonder vaste woon- of verblijfplaats (verzoekster)
het dagelijks bestuur van de Gemeenschappelijke Regeling Sociaal (dagelijks bestuur)
Zitting heeft: F. Hoogendijk
Griffier: I. van der Hout
Verzoekster is niet verschenen. Het dagelijks bestuur heeft zich via een beeldverbinding laten vertegenwoordigen door P. Tjon Poen Gie .
Dictum
De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep
bevestigt de aangevallen uitspraak;
wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;
wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
Procesverloop
1. Op 16 december 2022 heeft het dagelijks bestuur aan verzoekster meegedeeld dat de aan haar verleende bijstand met ingang van 1 januari 2023 wordt geblokkeerd. Verzoekster heeft tegen die blokkering bezwaar gemaakt. Het dagelijks bestuur heeft met een besluit van 20 januari 2023 (bestreden besluit) het bezwaar gegrond verklaard en de bijstand over januari 2023 alsnog uitbetaald op de normale betaaldatum.
2. Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. Zij heeft daarbij naar voren gebracht dat zij in een heel moeilijke situatie verkeert, vooral door toedoen van de gemeente [naam gemeente] . Zij is dakloos en heeft dringend behoefte aan passende opvang. Ook heeft zij medische zorg nodig en een betrouwbaar briefadres. Zij is het verder niet eens met de vastgestelde ingangsdatum van de bijstand. Daarnaast wacht zij al lange tijd op een beslissing over bewindvoering.
3. De rechtbank heeft met de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit niet-ontvankelijk verklaard en dus niet inhoudelijk behandeld. De reden daarvoor is dat verzoekster met het bezwaar tegen de blokkering van de bijstand vanaf januari 2023 heeft bereikt dat de bijstand over januari 2023 alsnog op de normale betaaldatum is betaald. Met een beslissing op het beroep tegen het bestreden besluit zou zij niet meer kunnen bereiken dan dat. Daarom heeft behandeling van het beroep geen zin. De rechtbank heeft daarbij opgemerkt dat geen uitspraak mogelijk is over de vele problemen die verzoekster heeft met de gemeente omdat het bestreden besluit daar niet over gaat.
4. Verzoekster heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening te treffen in afwachting van de uitspraak. Als onderbouwing daarvan heeft zij opnieuw gewezen op de vele problemen die zij heeft met de gemeente [naam gemeente] . Zij stelt onder meer dat haar ten onrechte geen betrouwbaar briefadres is toegekend, dat zij niet de medicijnen kan krijgen die zij nodig heeft en dat de opvang waar zij verblijft niet goed is, waardoor zij kosten voor een hotel heeft moeten maken. Zij verzoekt om vergoeding van onder meer die kosten.
Overwegingen
5. Als de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaak, kan onmiddellijk uitspraak worden gedaan in de hoofdzaak. Deze situatie doet zich in deze zaak voor en ook verder zijn er geen beletselen om onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.
6. De voorzieningenrechter komt tot het oordeel dat het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank niet slaagt. Die uitspraak gaat over het beroep van verzoekster tegen het bestreden besluit. Dat besluit houdt in dat de blokkering van de bijstand is herroepen. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat verzoekster geen belang heeft bij een uitspraak over het beroep omdat verzoekster het doel daarvan al met het bezwaar heeft bereikt: de bijstand is vanaf januari normaal betaald. Voor zover verzoekster met het beroep bedoelde de problemen met de gemeente [naam gemeente] op te lossen kon zij dat doel niet met het beroep bereiken. Die problemen zagen namelijk op onder meer een briefadres, adequate opvang, vergoeding van medicijnen en de besluitvorming rondom bewindvoering. Zoals ook de rechtbank heeft opgemerkt, was een uitspraak over die onderwerpen niet mogelijk omdat het besluit waartegen verzoekster beroep had ingesteld niet daarover ging.
7. Het verzoek om een veroordeling tot schadevergoeding wordt afgewezen omdat daarvoor geen reden is. Verzoekster heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij door de blokkering van de bijstand of de herroeping daarvan enige schade heeft geleden. Of zij op andere wijze door toedoen van het dagelijks bestuur of de gemeente [naam gemeente] schade heeft geleden is in het kader van deze procedure niet aan de orde.
8. Ook het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen wordt afgewezen. Gelet op het feit dat het hoger beroep niet slaagt en er voor een veroordeling tot schadevergoeding geen reden is, bestaat daartoe geen aanleiding.
Conclusie
9. Het voorgaande betekent dat de aangevallen uitspraak definitief wordt bevestigd, zodat voor een voorlopige voorziening geen plaats is, en dat het dagelijks bestuur niet wordt veroordeeld tot schadevergoeding in verband met deze zaak.
10. Dit brengt mee dat voor een veroordeling in de proceskosten geen aanleiding bestaat.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier De voorzitter
(getekend) I. van der Hout (getekend) F. Hoogendijk
Dat volgt uit artikel 8:108, eerste lid, van de Awb in verbinding met artikel 8:86, eerste lid, van de Awb.