Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2024-08-20
ECLI:NL:CRVB:2024:1679
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
1,197 tokens
Inleiding
Datum uitspraak: 20 augustus 2024
22/1880 AIO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 29 april 2022, 21/5456
Partijen:
[appellanten] en [appellanten] te [woonplaats] (appellanten)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
Procesverloop
Namens appellanten heeft mr. R.S. Pot, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Bij brief van 16 mei 2023 heeft mr. Pot namens appellanten het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht de Svb te veroordelen in de proceskosten.
De Svb heeft gebruik gemaakt van de gelegenheid een verweerschrift in te dienen.
Onder toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
De Svb heeft appellanten bij besluit van 12 juli 2021 een AIO-aanvulling toegekend met ingang van 31 mei 2021. Appellanten hebben daartegen bezwaar gemaakt omdat zij vinden dat de ingangsdatum van de AIO-aanvulling 1 mei 2021 moet zijn. De Svb heeft het bezwaar bij besluit van 7 oktober 2021 (bestreden besluit) niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
Bij besluit van 16 maart 2022, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 5 september 2022, heeft de Svb over de maand mei 2021 alsnog een bedrag van € 700,- aan AIO-aanvulling toegekend. De rechtbank heeft het beroep tegen het besluit van 5 september 2022 gegrond verklaard en de Svb opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen. De Svb heeft vervolgens alsnog een volledige AIO-aanvulling over de maand mei 2021 toegekend.
Met het besluit van 16 maart 2022 en de daaropvolgende besluiten is de Svb niet teruggekomen van het besluit van 7 oktober 2021. Daarom wordt het verzoek om de Svb te veroordelen in de proceskosten afgewezen. Dit wordt hierna uitgelegd.
Appellanten hebben het hoger beroep dat zij tegen de aangevallen uitspraak hadden ingesteld bij voormelde brief van 16 mei 2023 ingetrokken. De reden daarvan was de nieuwe besluitvorming van de Svb, waarbij aan hen – in afwijking van het besluit van 12 juli 2021 – alsnog een volledige AIO-aanvulling is toegekend. Maar het ingetrokken hoger beroep ging niet over het besluit van 12 juli 2021 tot toekenning van de AIO-aanvulling met ingang van 31 mei 2021. Het ging over het besluit van 7 oktober 2021 waarbij het bezwaar tegen dat toekenningsbesluit niet-ontvankelijk is verklaard. De Svb heeft zijn standpunt dat het bezwaar niet-ontvankelijk was niet herzien en is dan ook met het besluit van 16 maart 2022 niet van het besluit van 7 oktober 2021 teruggekomen. Het besluit van besluit van 16 maart 2022 is een nieuw primair besluit, dat de Svb uit eigen beweging heeft genomen. Dat appellanten daarmee in hoger beroep het belang bij de onderhavige procedure verloren, betekent niet dat de Svb hen in deze procedure is tegemoetgekomen.
Van tegemoetkomen in de zin van artikel 8:75a van de Awb is dan ook geen sprake.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om proceskostenveroordeling af.
Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en F. Hoogendijk en J.J. Janssen als leden, in tegenwoordigheid van A. Giesen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 augustus 2024.
(getekend) O.L.H.W.I. Korte
(getekend) A. Giesen
Zie de uitspraak van 2 januari 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:18. Zie ook de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 3 november 1999, JB 2000, 78 en vergelijk de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 29 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:811.