Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2024-08-07
ECLI:NL:CRVB:2024:1647
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
869 tokens
Inleiding
24/315 AOW-PV
Datum uitspraak: 7 augustus 2024
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 21 december 2023, 23/2789 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [plaats] , Marokko (appellante)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
Zitting heeft: M.A.H. van Dalen-van Bekkum, als lid van de enkelvoudige kamer.
Griffier: R.R. Olde Engberink.
Ter zitting van 7 augustus 2024 is appellante niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.E. Eind.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep
verklaart zich onbevoegd;
bepaalt dat de griffier van de Raad het betaalde griffierecht van € 138,- aan appellante terugbetaalt.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
Overwegingen
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Met een na bezwaar genomen besluit van 2 september 2020 heeft de Svb het bezwaar van appellante tegen het terugvorderen van het na het overlijden van haar echtgenoot doorbetaalde AOW-pensioen niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank heeft het hiertegen ingestelde beroep onder toepassing van artikel 8:54 van de Awb niet-ontvankelijk verklaard. Het hiertegen gedane verzet is door de rechtbank met toepassing van artikel 8:55, zevende lid, van de Awb bij uitspraak van 18 januari 2022 eveneens niet-ontvankelijk verklaard omdat appellante de verzetstermijn heeft overschreden.
1.2.
Appellante heeft in februari 2023 bij de rechtbank een verzoek ingediend om de uitspraak van 18 januari 2022 te herzien.
Aangevallen uitspraak
2. Met de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het verzoek van appellante om de eerdere uitspraak te herzien niet-ontvankelijk verklaard. Daartoe is overwogen dat appellante niet binnen de gestelde termijn de gronden heeft ingediend waarop haar verzoek om herziening berust.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het niet eens met de aangevallen uitspraak. Zij heeft de Raad verzocht de uitspraak te vernietigen en haar dossier opnieuw te beoordelen.
Beoordeling
4.1.
In artikel 8:104, tweede lid, aanhef en onder c, van de Awb is bepaald dat tegen een uitspraak van de rechtbank als bedoeld in artikel 8:55, zevende lid, van de Awb geen hoger beroep kan worden ingesteld. Hetzelfde geldt ten aanzien van een uitspraak van de rechtbank waarin het verzoek om herziening betrekking heeft op een uitspraak als bedoeld in artikel 8:55, zevende lid, van de Awb.
4.2.
Hoger beroep is dus niet mogelijk. De Raad is dan ook onbevoegd om van het door appellante ingestelde hoger beroep kennis te nemen.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
(getekend) R.R. Olde Engberink (getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum
Algemene wet bestuursrecht.
Zie de uitspraak van 26 februari 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:469.