Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2024-06-27
ECLI:NL:CRVB:2024:1426
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Mondelinge uitspraak
867 tokens
Inleiding
233206 AKW-PV
Datum uitspraak: 27 juni 2024
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 18 oktober 2023, 22/5157 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
Zitting heeft: M.L. Noort, als lid van de enkelvoudige kamer.
Griffier: M. Dafir.
Ter zitting op 27 juni 2024 heeft appellante zich laten vertegenwoordigen door mr. dr. ir. G.A.S. Maduro. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door J.Y. van den Berg.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
Appellante heeft op 3 augustus 2022 kinderbijslag op grond van de AKW aangevraagd bij de Svb. Met het besluit van 8 augustus 2022 heeft de Svb de aanvraag voor kinderbijslag over het derde kwartaal van 2022 afgewezen omdat appellante op 1 juli 2022 (de peildatum) geen duurzame persoonlijke band had met Nederland. Het hiertegen gemaakte bezwaar is met een besluit van 19 september 2022 (bestreden besluit) door de Svb ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.
Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Zij betoogt dat zij op de peildatum wel een duurzame persoonlijke band met Nederland had.
De Raad is van oordeel dat appellante op 1 juli 2022 geen duurzame band van persoonlijke aard had met Nederland. Op de peildatum verbleef appellante nog maar ongeveer twee weken in Nederland. Zij beschikte niet over een eigen woonruimte en verbleef bij kennissen. Appellante heeft aangegeven dat zij wel op zoek was naar een eigen woning, maar nog niet bij Woningnet was ingeschreven. Appellante had op de peildatum geen werk en haar zoon volgde geen onderwijs. Dat appellante en haar zoon waren uitgeschreven uit Curaçao en dat zij de intentie had om te blijven, maakt niet dat er een duurzame band van persoonlijke aard was. Uit vaste rechtspraak van de Raad volgt dat voor het aannemen van ingezetenschap onvoldoende is dat de betrokkene de intentie had zich definitief in Nederland te vestigen. Dat appellante en haar zoon de Nederlandse nationaliteit hebben maakt dit niet anders, omdat doorslaggevend is het hebben van een duurzame band van persoonlijke aard met Nederland.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
(getekend) M. Dafir (getekend) M.L. Noort
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip ingezetene.
Algemene Kinderbijslagwet.
Zie onder meer de uitspraak van de Raad van 3 maart 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:877.