Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2024-05-24
ECLI:NL:CRVB:2024:1407
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
966 tokens
Inleiding
Datum uitspraak: 24 mei 2024
21/4105 PW-V
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het verzet in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 16 november 2021, 21/1700-V (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heerenveen (college)
Procesverloop
In de uitspraak van 27 juni 2023 heeft de Raad zich kennelijk onbevoegd verklaard.
Appellant heeft verzet gedaan.
Het verzet is behandeld op de zitting van 12 april 2024. Appellant is, met voorafgaand bericht, niet verschenen en ook het college is niet verschenen.
Overwegingen
In de uitspraak van de Raad van 27 juni 2023 heeft de Raad zich kennelijk onbevoegd verklaard, omdat geen hoger beroep kan worden ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank in een verzetzaak op grond van art. 8:55 van de Algemene wet bestuursrecht.
In verzet heeft appellant aangevoerd dat de Raad wel bevoegd was en dat de Raad zich ten onrechte niet heeft uitgelaten over de onjuiste beoordeling van zijn betalingsonmacht. Daarnaast voert appellant aan dat een termijn van acht weken voor het voldoen van het griffierecht onredelijk is. Appellant betwist bovendien dat hij de eerste nota heeft ontvangen, waardoor hij feitelijk slechts een termijn van vier weken gehad zou hebben om het griffierecht te voldoen en hij daardoor niet tijdig een beroep op betalingsonmacht kon doen. Doordat appellant niet de redelijke termijn van acht weken zou hebben gekregen, is volgens hem sprake van een ernstige schending van de eisen van een goede procesorde dan wel van fundamentele rechtsbeginselen die tevens schending opleveren van het recht op een eerlijk proces en het recht om daadwerkelijk en effectief te kunnen participeren als bedoeld in de artikelen 6 en 13 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
In de Algemene wet bestuursrecht staat (artikel 8:104, tweede lid) dat het niet mogelijk is hoger beroep in te stellen tegen een verzetsuitspraak. Dit is slechts anders als zich een zodanig ernstige schending van de eisen van een goede procesorde dan wel van fundamentele rechtsbeginselen heeft voorgedaan, dat van een eerlijke en onafhankelijke behandeling niet meer kan worden gesproken (zie de uitspraak van de Raad van 19 maart 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:946). Wat appellant heeft aangevoerd is een herhaling van de argumenten die hij in verzet bij de rechtbank heeft aangevoerd en die argumenten bieden geen grond voor het oordeel dat zich in dit geval een zodanig ernstige schending heeft voorgedaan. De door appellant als onredelijk ervaren termijnen gelden niet als zodanig.
Gelet hierop bestaat geen grond voor het oordeel dat er sprake is van een situatie die doorbreking van het appelverbod zou rechtvaardigen.
Dit betekent dat het verzet ongegrond wordt verklaard.
Het betaalde griffierecht zal aan appellant worden teruggestort.
De Raad ziet geen aanleiding om proceskosten aan appellant te vergoeden.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep
- verklaart het verzet ongegrond;
- bepaalt dat het betaalde griffierecht van € 134,- door de griffier van de Raad aan appellant wordt terugbetaald.
Deze uitspraak is gedaan door J.C. Boeree, in tegenwoordigheid van S.C. Scholten als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 mei 2024.
(getekend) J.C. Boeree
(getekend) S.C. Scholten