Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2024-06-26
ECLI:NL:CRVB:2024:1290
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
4,294 tokens
Inleiding
23/1507 WIA
Datum uitspraak: 26 juni 2024
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 31 maart 2023, 22/1456 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht appellante per 29 oktober 2021 geen WIA-uitkering heeft toegekend.
Procesverloop
Namens appellante heeft mr. R.A. Remport Urban, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 15 mei 2024. Voor appellante heeft mr. Remport Urban de zitting telefonisch bijgewoond. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.W. van Schaik.
Overwegingen
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante heeft voor het laatst gewerkt als productiemedewerkster voor wisselende uren per week. Op 1 november 2019 heeft zij zich ziekgemeld met lichamelijke klachten. Nadat appellante een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) had ingediend, heeft onderzoek plaatsgevonden door een arts en een arbeidsdeskundige van het Uwv. De arts heeft vastgesteld dat appellante bij het verrichten van werkzaamheden beperkingen heeft en heeft die beperkingen neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 29 september 2021. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellante niet meer geschikt is voor haar laatste werk. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens voor appellante functies geselecteerd. Het Uwv heeft bij besluit van 5 november 2021 geweigerd appellante met ingang van 29 oktober 2021 een WIA-uitkering toe te kennen, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
1.2.
Bij besluit van 17 mei 2022 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft aanleiding gezien om de FML van 29 september 2021 aan te vullen met vooral beperkingen in de rubrieken persoonlijk en sociaal functioneren en heeft een FML van 26 april 2022 opgesteld. Met inachtneming van deze FML heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep enkele primair geselecteerde functies laten vervallen en enkele nieuwe functies geselecteerd. Hiermee blijft appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Volgens de rechtbank is het verzekeringsgeneeskundig onderzoek voldoende zorgvuldig verricht. Ook heeft de rechtbank geen aanleiding gezien om te oordelen dat het Uwv de belastbaarheid van appellante onjuist heeft ingeschat. Het Uwv is bekend met de lichamelijke en psychische klachten van appellante, waaronder de rugklachten, gynaecologische en psychiatrische klachten. Als gevolg van haar fysieke klachten is appellante volgens de primaire arts aangewezen op rugsparend werk waarbij zware fysieke belasting van haar onderrug vermeden moet worden en waarbij vertreden mogelijk moet zijn. Wegens de psychische problematiek heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep extra beperkingen toegevoegd in het persoonlijk en sociaal functioneren. In wat appellante daartegen heeft aangevoerd heeft de rechtbank geen aanleiding gezien om te twijfelen aan de bevindingen van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. De door appellante geclaimde verdergaande lichamelijke en psychische beperkingen worden volgens de rechtbank niet ondersteund door de onderzoeksbevindingen van de (verzekerings)artsen van het Uwv en de in bezwaar overgelegde medische informatie. In beroep heeft appellante ook geen nadere medische informatie overgelegd om haar standpunten te onderbouwen. Uitgaande van de juistheid van de vastgestelde beperkingen, heeft de rechtbank ook geen grond gezien voor het oordeel dat de geselecteerde functies niet geschikt zijn voor appellante. Daar waar sprake is van signaleringen en mogelijke overschrijdingen, is door de arbeidsdeskundige (bezwaar en beroep) van het Uwv voldoende onderbouwd waarom de geselecteerde functies geschikt zijn.
Het standpunt van appellante
3.1.
Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellante heeft tegen die uitspraak aangevoerd dat haar beperkingen onvoldoende zijn meegewogen in de beoordeling. Volgens appellante zijn haar psychiatrische klachten grotendeels genegeerd. Ook acht appellante zich niet in staat om werk hooguit langer dan enkele uren of dagen uit te oefenen.
Het standpunt van het Uwv
3.2.
Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
Beoordeling
4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de weigering van de WIA-uitkering in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.
4.1.
Op grond van artikel 5 van de Wet WIA bestaat recht op een WIA-uitkering als een betrokkene ten minste 35% arbeidsongeschikt is. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt berekend door het loon dat een betrokkene in zijn laatste werk nog had kunnen verdienen, te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek. Beide aspecten worden hieronder besproken.
Medische beoordeling
4.2.
Wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd is een herhaling van de gronden die zij bij de rechtbank heeft ingediend en vormt geen aanleiding om anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat geen aanleiding bestaat om te twijfelen aan de juistheid van de door het Uwv vastgestelde belastbaarheid van appellante. De overwegingen die de rechtbank hieraan ten grondslag heeft gelegd worden geheel onderschreven. In aanvulling daarop wordt het volgende overwogen. Dat de psychiatrische klachten van appellante door het Uwv zouden zijn genegeerd, wordt niet gevolgd. Uit het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 26 april 2022 volgt dat deze arts uitgebreid is ingegaan op de psychische problematiek en appellante daarvoor in de FML van 26 april 2022 op persoonlijk en sociaal functioneren op veel aspecten beperkt heeft geacht. Dat met deze beperkingen onvoldoende rekening is gehouden met haar psychische problematiek, heeft appellante niet met nadere medische informatie onderbouwd. Dit geldt eveneens voor haar standpunt dat zij slechts in staat zou zijn enkele uren of enkele dagen te werken. Hieruit volgt dat geen twijfel bestaat aan de belastbaarheid van appellante zoals deze uiteindelijk is beschreven in de FML van 26 april 2022.
Arbeidskundige beoordeling
4.3.
De rechtbank heeft ook terecht geoordeeld dat het Uwv voldoende en inzichtelijk heeft gemotiveerd dat de geduide functies passend zijn voor appellante.
Conclusie
5. Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de weigering appellante een WIA-uitkering toe te kennen in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door E.W. Akkerman, in tegenwoordigheid van E.X.R. Yi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 juni 2024.
(getekend) E.W. Akkerman
(getekend) E.X.R. Yi
Inleiding
23/1507 WIA
Datum uitspraak: 26 juni 2024
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 31 maart 2023, 22/1456 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht appellante per 29 oktober 2021 geen WIA-uitkering heeft toegekend.
Procesverloop
Namens appellante heeft mr. R.A. Remport Urban, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 15 mei 2024. Voor appellante heeft mr. Remport Urban de zitting telefonisch bijgewoond. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.W. van Schaik.
Overwegingen
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante heeft voor het laatst gewerkt als productiemedewerkster voor wisselende uren per week. Op 1 november 2019 heeft zij zich ziekgemeld met lichamelijke klachten. Nadat appellante een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) had ingediend, heeft onderzoek plaatsgevonden door een arts en een arbeidsdeskundige van het Uwv. De arts heeft vastgesteld dat appellante bij het verrichten van werkzaamheden beperkingen heeft en heeft die beperkingen neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 29 september 2021. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellante niet meer geschikt is voor haar laatste werk. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens voor appellante functies geselecteerd. Het Uwv heeft bij besluit van 5 november 2021 geweigerd appellante met ingang van 29 oktober 2021 een WIA-uitkering toe te kennen, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
1.2.
Bij besluit van 17 mei 2022 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft aanleiding gezien om de FML van 29 september 2021 aan te vullen met vooral beperkingen in de rubrieken persoonlijk en sociaal functioneren en heeft een FML van 26 april 2022 opgesteld. Met inachtneming van deze FML heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep enkele primair geselecteerde functies laten vervallen en enkele nieuwe functies geselecteerd. Hiermee blijft appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Volgens de rechtbank is het verzekeringsgeneeskundig onderzoek voldoende zorgvuldig verricht. Ook heeft de rechtbank geen aanleiding gezien om te oordelen dat het Uwv de belastbaarheid van appellante onjuist heeft ingeschat. Het Uwv is bekend met de lichamelijke en psychische klachten van appellante, waaronder de rugklachten, gynaecologische en psychiatrische klachten. Als gevolg van haar fysieke klachten is appellante volgens de primaire arts aangewezen op rugsparend werk waarbij zware fysieke belasting van haar onderrug vermeden moet worden en waarbij vertreden mogelijk moet zijn. Wegens de psychische problematiek heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep extra beperkingen toegevoegd in het persoonlijk en sociaal functioneren. In wat appellante daartegen heeft aangevoerd heeft de rechtbank geen aanleiding gezien om te twijfelen aan de bevindingen van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. De door appellante geclaimde verdergaande lichamelijke en psychische beperkingen worden volgens de rechtbank niet ondersteund door de onderzoeksbevindingen van de (verzekerings)artsen van het Uwv en de in bezwaar overgelegde medische informatie. In beroep heeft appellante ook geen nadere medische informatie overgelegd om haar standpunten te onderbouwen. Uitgaande van de juistheid van de vastgestelde beperkingen, heeft de rechtbank ook geen grond gezien voor het oordeel dat de geselecteerde functies niet geschikt zijn voor appellante. Daar waar sprake is van signaleringen en mogelijke overschrijdingen, is door de arbeidsdeskundige (bezwaar en beroep) van het Uwv voldoende onderbouwd waarom de geselecteerde functies geschikt zijn.
Het standpunt van appellante
3.1.
Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellante heeft tegen die uitspraak aangevoerd dat haar beperkingen onvoldoende zijn meegewogen in de beoordeling. Volgens appellante zijn haar psychiatrische klachten grotendeels genegeerd. Ook acht appellante zich niet in staat om werk hooguit langer dan enkele uren of dagen uit te oefenen.
Het standpunt van het Uwv
3.2.
Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
Beoordeling
4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de weigering van de WIA-uitkering in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.
4.1.
Op grond van artikel 5 van de Wet WIA bestaat recht op een WIA-uitkering als een betrokkene ten minste 35% arbeidsongeschikt is. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt berekend door het loon dat een betrokkene in zijn laatste werk nog had kunnen verdienen, te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek. Beide aspecten worden hieronder besproken.
Medische beoordeling
4.2.
Wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd is een herhaling van de gronden die zij bij de rechtbank heeft ingediend en vormt geen aanleiding om anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat geen aanleiding bestaat om te twijfelen aan de juistheid van de door het Uwv vastgestelde belastbaarheid van appellante. De overwegingen die de rechtbank hieraan ten grondslag heeft gelegd worden geheel onderschreven. In aanvulling daarop wordt het volgende overwogen. Dat de psychiatrische klachten van appellante door het Uwv zouden zijn genegeerd, wordt niet gevolgd. Uit het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 26 april 2022 volgt dat deze arts uitgebreid is ingegaan op de psychische problematiek en appellante daarvoor in de FML van 26 april 2022 op persoonlijk en sociaal functioneren op veel aspecten beperkt heeft geacht. Dat met deze beperkingen onvoldoende rekening is gehouden met haar psychische problematiek, heeft appellante niet met nadere medische informatie onderbouwd. Dit geldt eveneens voor haar standpunt dat zij slechts in staat zou zijn enkele uren of enkele dagen te werken. Hieruit volgt dat geen twijfel bestaat aan de belastbaarheid van appellante zoals deze uiteindelijk is beschreven in de FML van 26 april 2022.
Arbeidskundige beoordeling
4.3.
De rechtbank heeft ook terecht geoordeeld dat het Uwv voldoende en inzichtelijk heeft gemotiveerd dat de geduide functies passend zijn voor appellante.
Conclusie
5. Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de weigering appellante een WIA-uitkering toe te kennen in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door E.W. Akkerman, in tegenwoordigheid van E.X.R. Yi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 juni 2024.
(getekend) E.W. Akkerman
(getekend) E.X.R. Yi