Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2024-06-27
ECLI:NL:CRVB:2024:1280
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
5,204 tokens
Inleiding
23/2278 ZW
Datum uitspraak: 27 juni 2024
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 22 juni 2023, 22/2056 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de ZW-uitkering van appellante per 15 november 2021 heeft beëindigd. Volgens appellante was zij toen door haar (medische) beperkingen niet in staat de eerder in het kader van de WIA-beoordeling geselecteerde functies te verrichten. De Raad volgt dit standpunt van appellante niet en komt tot het oordeel dat het Uwv de ZW-uitkering terecht heeft beëindigd.
Procesverloop
Namens appellante heeft mr. E. Akdeniz, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 16 mei 2024. Voor appellante is mr. Akdeniz verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.E.J.P.M. Rutten.
Overwegingen
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante was werkzaam als locatie verantwoordelijke voor 24,83 uren per week. Op 9 maart 2018 heeft appellante zich ziekgemeld. Na afloop van de voorgeschreven wachttijd heeft het Uwv bij besluit van 17 februari 2020 geweigerd aan appellante per 6 maart 2020 een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toe te kennen, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Appellante wordt niet meer in staat geacht tot het verrichten van haar laatste werk als locatie verantwoordelijke, maar wel tot het vervullen van diverse andere functies. Het besluit van 17 februari 2020 is in rechte onaantastbaar geworden bij de uitspraak van de Raad van 17 mei 2023.
1.2.
Het Uwv heeft appellante per 6 maart 2020 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet toegekend. Appellante heeft zich op 16 juni 2021 opnieuw ziekgemeld wegens toegenomen klachten. In verband hiermee heeft zij op 12 november 2021 het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft geconcludeerd dat bij appellante geen sprake is van toegenomen beperkingen ten opzichte van de WIA-beoordeling per 6 maart 2020. Omdat in juni 2021 nog diagnostische onderzoeken gaande waren, heeft de verzekeringsarts appellante het voordeel van de twijfel gegeven en de ziekmelding per 16 juni 2021 geaccepteerd. Ten tijde van het spreekuurcontact waren deze onderzoeken afgerond. De verzekeringsarts heeft geconcludeerd dat de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 13 februari 2020, geldig per 28 januari 2020, die is opgesteld in het kader van de WIAbeoordeling, ongewijzigd gehandhaafd kan blijven. Appellante wordt daarom per 15 november 2021 geschikt geacht voor (één van) de in het kader van de Wet WIA geselecteerde functies. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 15 november 2021 de uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) van appellante per diezelfde datum beëindigd.
1.3.
Bij besluit van 27 juli 2022 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft verwezen naar de uitspraak van de Raad van 23 december 2022 en het nieuwe beoordelingskader gehanteerd voor de maatstaf arbeid in de zin van artikel 19, eerste lid, van de ZW. De rechtbank heeft geoordeeld dat het medisch onderzoek van het Uwv zorgvuldig is geweest en dat er geen aanleiding is voor twijfel aan de juistheid van het medisch oordeel van het Uwv dat bij appellante per 15 november 2021 geen sprake is van toegenomen beperkingen. Daarmee is gegeven dat de bij de WIA-beoordeling geselecteerde functies in medisch en arbeidskundig opzicht ook op de datum in geding voor appellante geschikt zijn. De rechtbank komt tot de conclusie dat het UWV terecht heeft besloten dat appellante per 15 november 2021 geen recht meer heeft op een ZW-uitkering.
Het standpunt van appellante
3.1.
Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellante heeft in hoger beroep haar standpunt herhaald dat de verzekeringsarts haar beperkingen heeft onderschat. Ook is volgens appellante het medisch onderzoek onzorgvuldig geweest omdat de verzekeringsarts geen lichamelijk onderzoek heeft verricht en geen medische informatie heeft opgevraagd. Omdat appellante zich meer beperkt acht, zijn de geselecteerde functies niet geschikt.Het standpunt van het Uwv
3.2.
Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
Beoordeling
4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de beëindiging van de ZW-uitkering in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.
4.1.
Op grond van artikel 19 van de ZW heeft een betrokkene recht op een ZW-uitkering als hij ongeschikt is voor ‘zijn arbeid’. Volgens vaste rechtspraak wordt met ‘zijn arbeid’ bedoeld het laatst verrichte werk voorafgaand aan de ziekmelding. Dit is de hoofdregel.
4.2.
Een uitzondering hierop wordt aangenomen in de situatie dat eerder een WIAbeoordeling heeft plaatsgevonden, betrokkene niet in enig werk heeft hervat en zich vervolgens weer ziek heeft gemeld. In een dergelijke situatie geldt het toetsingskader zoals uiteen is gezet in de uitspraak van de Raad van 23 december 2022. Uit deze uitspraak blijkt dat – anders dan voorheen in de rechtspraak werd aangenomen – een hersteldverklaring niet kan worden gebaseerd op slechts één van de in het kader van de Wet WIA geselecteerde functies. Bij de toepassing van artikel 19 van de ZW moet zijn voldaan aan de volgende twee voorwaarden:1. van de oorspronkelijk bij de WIA-beoordeling geselecteerde functies, met inbegrip van de functies die als reservefuncties aan de betrokkene zijn voorgehouden, zijn op de datum in geding ten minste drie functies met elk ten minste drie arbeidsplaatsen voor de verzekerde geschikt gebleven, én 2. op basis van die functies – gelet op de loonwaarde die die functies ten tijde van de WIAbeoordeling vertegenwoordigden, afgezet tegen het bij de WIA-beoordeling geldende maatmaninkomen – is nog steeds sprake van een arbeidsgeschiktheid van ten minste 65%.
4.3.
Aan deze voorwaarden is in ieder geval voldaan als de verzekeringsarts in het kader van de nieuwe ziekmelding vaststelt dat de medische beperkingen niet zijn toegenomen. Deze vaststelling is dan voldoende om een beëindiging van een ZW-uitkering op grond van artikel 19 van de ZW te kunnen dragen. Indien de medische beperkingen van betrokkene ten opzichte van de WIA-beoordeling op een of meer punten van de FML zijn toegenomen, dan moet worden beoordeeld in hoeverre dit consequenties heeft voor de geschiktheid van de oorspronkelijk bij de WIA-beoordeling geselecteerde functies.
4.4.
Appellante wordt niet gevolgd in haar standpunt dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is geweest. Weliswaar heeft de verzekeringsarts geen lichamelijk onderzoek verricht, maar in bezwaar heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep dit alsnog gedaan. Ook heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep informatie opgevraagd bij de huisarts. Hiermee ligt aan het bestreden besluit een zorgvuldig medisch onderzoek ten grondslag.
4.5.
Met de rechtbank wordt geoordeeld dat er geen aanleiding is voor twijfel aan de juistheid van het medisch oordeel van het Uwv. Appellante heeft haar standpunt dat haar beperkingen zijn toegenomen ook in hoger beroep niet met medische stukken onderbouwd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de op haar verzoek ontvangen informatie van 10 juli 2022 van de huisarts bij de heroverweging betrokken. Uit deze informatie blijkt onder meer dat sprake is van beginnende slijtage van de rug zonder hernia en van psychosomatische problematiek. In de informatie van de huisarts worden de door appellante ervaren psychische klachten rond de datum in geding niet vermeld. De huisarts heeft aangegeven dat de behandeling via de POH-GGZ per 6 april 2020 is stopgezet omdat appellante niet is verschenen voor de afspraak. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft geconcludeerd dat er geen reden is om af te wijken van het oordeel van de verzekeringsarts dat de medische beperkingen van appellante niet zijn toegenomen ten opzichte van de WIA-beoordeling. Wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, geeft geen aanleiding voor twijfel aan de juistheid van deze conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep.
4.6.
Omdat het Uwv terecht heeft geoordeeld dat de medische beperkingen van appellante per 15 november 2021 niet zijn toegenomen, wordt niet toegekomen aan een beoordeling van de medische geschiktheid van de in het kader van de WIA-beoordeling geselecteerde functies.
Conclusie
5. Uit 4.1 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de beëindiging van de ZW-uitkering per 15 november 2021 in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door S. Wijna, in tegenwoordigheid van L.B. Vrugt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 juni 2024.
(getekend) S. Wijna
(getekend) L.B. Vrugt
ECLI:NL:CRVB:2023:964.
ECLI:NL:CRVB:2022:2672.
ECLI:NL:CRVB:2022:2672.
Inleiding
23/2278 ZW
Datum uitspraak: 27 juni 2024
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 22 juni 2023, 22/2056 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de ZW-uitkering van appellante per 15 november 2021 heeft beëindigd. Volgens appellante was zij toen door haar (medische) beperkingen niet in staat de eerder in het kader van de WIA-beoordeling geselecteerde functies te verrichten. De Raad volgt dit standpunt van appellante niet en komt tot het oordeel dat het Uwv de ZW-uitkering terecht heeft beëindigd.
Procesverloop
Namens appellante heeft mr. E. Akdeniz, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 16 mei 2024. Voor appellante is mr. Akdeniz verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.E.J.P.M. Rutten.
Overwegingen
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante was werkzaam als locatie verantwoordelijke voor 24,83 uren per week. Op 9 maart 2018 heeft appellante zich ziekgemeld. Na afloop van de voorgeschreven wachttijd heeft het Uwv bij besluit van 17 februari 2020 geweigerd aan appellante per 6 maart 2020 een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toe te kennen, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Appellante wordt niet meer in staat geacht tot het verrichten van haar laatste werk als locatie verantwoordelijke, maar wel tot het vervullen van diverse andere functies. Het besluit van 17 februari 2020 is in rechte onaantastbaar geworden bij de uitspraak van de Raad van 17 mei 2023.
1.2.
Het Uwv heeft appellante per 6 maart 2020 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet toegekend. Appellante heeft zich op 16 juni 2021 opnieuw ziekgemeld wegens toegenomen klachten. In verband hiermee heeft zij op 12 november 2021 het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft geconcludeerd dat bij appellante geen sprake is van toegenomen beperkingen ten opzichte van de WIA-beoordeling per 6 maart 2020. Omdat in juni 2021 nog diagnostische onderzoeken gaande waren, heeft de verzekeringsarts appellante het voordeel van de twijfel gegeven en de ziekmelding per 16 juni 2021 geaccepteerd. Ten tijde van het spreekuurcontact waren deze onderzoeken afgerond. De verzekeringsarts heeft geconcludeerd dat de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 13 februari 2020, geldig per 28 januari 2020, die is opgesteld in het kader van de WIAbeoordeling, ongewijzigd gehandhaafd kan blijven. Appellante wordt daarom per 15 november 2021 geschikt geacht voor (één van) de in het kader van de Wet WIA geselecteerde functies. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 15 november 2021 de uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) van appellante per diezelfde datum beëindigd.
1.3.
Bij besluit van 27 juli 2022 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft verwezen naar de uitspraak van de Raad van 23 december 2022 en het nieuwe beoordelingskader gehanteerd voor de maatstaf arbeid in de zin van artikel 19, eerste lid, van de ZW. De rechtbank heeft geoordeeld dat het medisch onderzoek van het Uwv zorgvuldig is geweest en dat er geen aanleiding is voor twijfel aan de juistheid van het medisch oordeel van het Uwv dat bij appellante per 15 november 2021 geen sprake is van toegenomen beperkingen. Daarmee is gegeven dat de bij de WIA-beoordeling geselecteerde functies in medisch en arbeidskundig opzicht ook op de datum in geding voor appellante geschikt zijn. De rechtbank komt tot de conclusie dat het UWV terecht heeft besloten dat appellante per 15 november 2021 geen recht meer heeft op een ZW-uitkering.
Het standpunt van appellante
3.1.
Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellante heeft in hoger beroep haar standpunt herhaald dat de verzekeringsarts haar beperkingen heeft onderschat. Ook is volgens appellante het medisch onderzoek onzorgvuldig geweest omdat de verzekeringsarts geen lichamelijk onderzoek heeft verricht en geen medische informatie heeft opgevraagd. Omdat appellante zich meer beperkt acht, zijn de geselecteerde functies niet geschikt.Het standpunt van het Uwv
3.2.
Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
Beoordeling
4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de beëindiging van de ZW-uitkering in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.
4.1.
Op grond van artikel 19 van de ZW heeft een betrokkene recht op een ZW-uitkering als hij ongeschikt is voor ‘zijn arbeid’. Volgens vaste rechtspraak wordt met ‘zijn arbeid’ bedoeld het laatst verrichte werk voorafgaand aan de ziekmelding. Dit is de hoofdregel.
4.2.
Een uitzondering hierop wordt aangenomen in de situatie dat eerder een WIAbeoordeling heeft plaatsgevonden, betrokkene niet in enig werk heeft hervat en zich vervolgens weer ziek heeft gemeld. In een dergelijke situatie geldt het toetsingskader zoals uiteen is gezet in de uitspraak van de Raad van 23 december 2022. Uit deze uitspraak blijkt dat – anders dan voorheen in de rechtspraak werd aangenomen – een hersteldverklaring niet kan worden gebaseerd op slechts één van de in het kader van de Wet WIA geselecteerde functies. Bij de toepassing van artikel 19 van de ZW moet zijn voldaan aan de volgende twee voorwaarden:1. van de oorspronkelijk bij de WIA-beoordeling geselecteerde functies, met inbegrip van de functies die als reservefuncties aan de betrokkene zijn voorgehouden, zijn op de datum in geding ten minste drie functies met elk ten minste drie arbeidsplaatsen voor de verzekerde geschikt gebleven, én 2. op basis van die functies – gelet op de loonwaarde die die functies ten tijde van de WIAbeoordeling vertegenwoordigden, afgezet tegen het bij de WIA-beoordeling geldende maatmaninkomen – is nog steeds sprake van een arbeidsgeschiktheid van ten minste 65%.
4.3.
Aan deze voorwaarden is in ieder geval voldaan als de verzekeringsarts in het kader van de nieuwe ziekmelding vaststelt dat de medische beperkingen niet zijn toegenomen. Deze vaststelling is dan voldoende om een beëindiging van een ZW-uitkering op grond van artikel 19 van de ZW te kunnen dragen. Indien de medische beperkingen van betrokkene ten opzichte van de WIA-beoordeling op een of meer punten van de FML zijn toegenomen, dan moet worden beoordeeld in hoeverre dit consequenties heeft voor de geschiktheid van de oorspronkelijk bij de WIA-beoordeling geselecteerde functies.
4.4.
Appellante wordt niet gevolgd in haar standpunt dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is geweest. Weliswaar heeft de verzekeringsarts geen lichamelijk onderzoek verricht, maar in bezwaar heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep dit alsnog gedaan. Ook heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep informatie opgevraagd bij de huisarts. Hiermee ligt aan het bestreden besluit een zorgvuldig medisch onderzoek ten grondslag.
4.5.
Met de rechtbank wordt geoordeeld dat er geen aanleiding is voor twijfel aan de juistheid van het medisch oordeel van het Uwv. Appellante heeft haar standpunt dat haar beperkingen zijn toegenomen ook in hoger beroep niet met medische stukken onderbouwd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de op haar verzoek ontvangen informatie van 10 juli 2022 van de huisarts bij de heroverweging betrokken. Uit deze informatie blijkt onder meer dat sprake is van beginnende slijtage van de rug zonder hernia en van psychosomatische problematiek. In de informatie van de huisarts worden de door appellante ervaren psychische klachten rond de datum in geding niet vermeld. De huisarts heeft aangegeven dat de behandeling via de POH-GGZ per 6 april 2020 is stopgezet omdat appellante niet is verschenen voor de afspraak. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft geconcludeerd dat er geen reden is om af te wijken van het oordeel van de verzekeringsarts dat de medische beperkingen van appellante niet zijn toegenomen ten opzichte van de WIA-beoordeling. Wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, geeft geen aanleiding voor twijfel aan de juistheid van deze conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep.
4.6.
Omdat het Uwv terecht heeft geoordeeld dat de medische beperkingen van appellante per 15 november 2021 niet zijn toegenomen, wordt niet toegekomen aan een beoordeling van de medische geschiktheid van de in het kader van de WIA-beoordeling geselecteerde functies.
Conclusie
5. Uit 4.1 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de beëindiging van de ZW-uitkering per 15 november 2021 in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door S. Wijna, in tegenwoordigheid van L.B. Vrugt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 juni 2024.
(getekend) S. Wijna
(getekend) L.B. Vrugt
ECLI:NL:CRVB:2023:964.
ECLI:NL:CRVB:2022:2672.
ECLI:NL:CRVB:2022:2672.