Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2024-06-05
ECLI:NL:CRVB:2024:1106
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
1,996 tokens
Inleiding
23/260 WIA
Datum uitspraak: 5 juni 2024
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 22 december 2022, 22/2182 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht appellante per 26 november 2021 geen uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) heeft toegekend, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Volgens appellante heeft zij meer (medische) beperkingen dan het Uwv heeft aangenomen en kan zij niet de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies vervullen. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht geen WIA-uitkering heeft toegekend.
Procesverloop
Namens appellante heeft mr. M. Gümüs, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft door middel van videobellen de zaak behandeld op een zitting van 24 april 2024. Voor appellante is mr. Gümüs verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Anandbahadoer.
Overwegingen
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante heeft voor het laatst gewerkt als medewerker bediening horeca voor
gemiddeld 38,11 uur per week. Zij heeft van 9 augustus 2019 tot 29 november 2019 een uitkering ontvangen op grond van de Wet arbeid en zorg. Appellante is daarna in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Ziektewet. Nadat appellante een aanvraag voor een WIA-uitkering had ingediend, heeft onderzoek plaatsgevonden door een arts en een arbeidsdeskundige van het Uwv. De arts heeft vastgesteld dat appellante bij het verrichten van werkzaamheden beperkingen heeft en heeft die beperkingen neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 17 september 2021. De arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellante niet meer geschikt is voor haar laatste werk. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens voor appellante functies geselecteerd en aan de hand daarvan de mate van arbeidsongeschiktheid berekend op 11,39%. Bij besluit van 6 oktober 2021 heeft het Uwv geweigerd appellante met ingang van 26 november 2021 een WIA-uitkering toe te kennen, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Hiertegen heeft appellante bezwaar gemaakt.
1.2.
In de bezwaarfase hebben een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep onderzoek gedaan en rapporten opgesteld. Bij besluit van 1 april 2022 (bestreden besluit) heeft het Uwv op basis hiervan geen aanleiding gezien voor wijziging van zijn standpunt en heeft het Uwv het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond
verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Naar het oordeel van de rechtbank is het medisch onderzoek zorgvuldig verricht. De (verzekerings)artsen hebben de door appellante naar voren gebrachte (medische) klachten op een zorgvuldige en duidelijke wijze betrokken bij de medische beoordeling. De primaire arts heeft in de FML van 17 september 2021 beperkingen aangenomen vanwege psychische en lichamelijke klachten. Appellante is onder andere beperkt geacht ten aanzien van afleiding en prikkels, deadlines en productiepieken, conflicthantering, persoonlijk risico, gassen en dampen en staan en lopen tijdens het werk. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft deze beperkingen overgenomen en daarbij gemotiveerd uitgelegd waarom niet meer of andere beperkingen zijn aangenomen. De fysieke beperkingen van appellante kunnen slechts in beperkte mate worden geobjectiveerd. Er zijn geen aanwijzingen voor een ernstige psychische stoornis, en er is geen intensieve GGZ-behandeling en een relatief adequaat functioneren op micro-, meso-, en macroniveau. Er was geen medische informatie aanwezig die aanleiding gaf tot twijfel aan het medisch oordeel van de (verzekerings)artsen. De rechtbank concludeert dat het Uwv zich terecht heeft gebaseerd op de medische rapporten van de (verzekerings)artsen. Daarbij heeft de rechtbank benadrukt dat alleen de medisch te objectiveren beperkingen van belang zijn bij het vaststellen van beperkingen. De rechtbank heeft geen reden gezien om de geschiktheid van de geduide functies in twijfel te trekken. Het standpunt van appellante dat het bestreden besluit in strijd zou zijn met het rechtszekerheidsbeginsel of enig ander algemeen beginsel van behoorlijk bestuur is niet nader gemotiveerd en slaagt daarom niet.
Het standpunt van appellante
3.1.
Appellante is het met die uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellante stelt zich op het standpunt dat het medisch onderzoek door de (verzekerings)artsen onzorgvuldig is verricht en dat onvoldoende rekening is gehouden met haar medische klachten en beperkingen bij het medisch onderzoek. Zij meent dat haar belastbaarheid is overschreden en dat zij de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies niet kan vervullen.
Het standpunt van het Uwv
3.2.
Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
Beoordeling
4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over het niet toekennen van de WIA-uitkering in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.
4.1.
Op grond van artikel 5 van de Wet WIA bestaat recht op een WIA-uitkering als een betrokkene ten minste 35% arbeidsongeschikt is. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt berekend door het loon dat een betrokkene in zijn laatste werk nog had kunnen verdienen, te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.
4.2.
De gronden die appellante in hoger beroep heeft aangevoerd zijn een herhaling van wat zij in beroep naar voren heeft gebracht. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek door het Uwv zorgvuldig is geweest en dat er geen aanleiding bestaat om te twijfelen aan de conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep. De rechtbank heeft de beroepsgronden afdoende besproken en met juistheid geoordeeld dat deze gronden niet slagen. Appellante heeft in hoger beroep geen medische informatie ingebracht die aanleiding geeft tot een ander oordeel. De overwegingen die aan het oordeel van de rechtbank ten grondslag liggen, worden geheel onderschreven.
Conclusie
5. Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de afwijzing van de WIA-uitkering van appellante per 26 november 2021 in stand blijft.
6. Appellante krijgt daarom geen vergoeding voor haar proceskosten. Zij krijgt ook het betaalde griffierecht niet terug.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door T. Dompeling, in tegenwoordigheid van S.P.A. Elzer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 juni 2024.
(getekend) T. Dompeling
(getekend) S.P.A. Elzer