Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2024-05-22
ECLI:NL:CRVB:2024:1014
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
3,299 tokens
Inleiding
23/2322 WIA
Datum uitspraak: 22 mei 2024
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 23 juni 2023, 22/3493 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Procesverloop
Namens appellante heeft mr. S. Toughza, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingestuurd.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft (via Teams) plaatsgevonden op 10 april 2024. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Toughza. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Anandbahadoer.
Overwegingen
Inleiding
1.1.
Appellante die sinds april 2015 werkzaam was als schoonmaakster voor 35,72 uur per
week heeft zich op 16 mei 2016 ziekgemeld wegens fysieke en psychische klachten, nadat zij op 8 december 2015 door een buitenspiegel van een bus was geraakt. Vanaf 4 juli 2016 ontving zij een uitkering op grond van de Ziektewet en vanaf 22 februari 2018 een
Wazo-uitkering. Op 13 augustus 2021 heeft appellante gemeld dat haar gezondheid per 14 juni 2018 is verslechterd.
1.2.
Op 27 oktober 2021 heeft appellante het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts.
Deze verzekeringsarts heeft in zijn rapport van 1 november 2021 vastgesteld dat appellante op 14 juni 2018 nog steeds ziek was en dat de ziekteoorzaak dezelfde was als voordat zij de Wazo-uitkering genoot. Volgens deze arts had appellante op 3 september 2018 verminderde functionele mogelijkheden als gevolg van ziekte of gebrek overeenkomstig de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 31 oktober 2021.
1.3.
Vervolgens heeft een arbeidsdeskundige – die heeft overlegd met de verzekeringsarts –
primair vastgesteld dat appellante geschikt is voor haar eigen werk als schoonmaakster. Subsidiair heeft hij vijf functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 14,29%.
1.4.
Bij besluit van 22 november 2021 heeft het Uwv geweigerd aan appellante met ingang
van 3 september 2018 een uitkering op grond van Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toe te kennen, omdat zij met ingang van die datum minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
1.5.
Het bezwaar van appellante tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 20 juni 2022
(bestreden besluit) ongegrond verklaard. Daaraan liggen ten grondslag rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 15 juni 2022.
1.6.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de telefonische hoorzitting bijgewoond en
heeft aanvullende medische informatie bestudeerd. Hij heeft gemotiveerd dat, en waarom, hij niet afwijkt van het oordeel van de primaire verzekeringsarts. Daarbij is hij nog ingegaan op de redenen waarom de door appellante geclaimde urenbeperking niet aan de orde is.
1.7.
De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft het oordeel van de primaire
arbeidsdeskundige gevolgd. Hij heeft vastgesteld dat de door de primaire arbeidsdeskundige geselecteerde functies niet actueel zijn en heeft opnieuw functies geselecteerd. De mate van arbeidsongeschiktheid heeft hij vastgesteld op 0%. Hij heeft de signaleringen bij de geselecteerde functies toegelicht.
Uitspraak van de rechtbank
2.1.
De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond
verklaard. De rechtbank heeft het onderzoek zorgvuldig en volledig geacht. De in beroep overgelegde brief van de behandelend neuroloog van appellante van 17 oktober 2022 is nog door de verzekeringsarts bezwaar en beroep beoordeeld en heeft niet tot een wijziging van zijn standpunt geleid.
Psychische beperkingen
2.2.
De verzekeringsarts heeft de door de behandelaars gestelde diagnoses overgenomen
met uitzondering van de angststoornis die door de behandelend psycholoog op 26 oktober 2021 en 8 maart 2022 is genoemd. De overgenomen diagnoses zijn: duizeligheid, hoofdpijn, flauwvallen, chronisch pijnsyndroom, PTSS en depressie. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep is met de beperkingen in de FML en wel beperkingen ten aanzien van onder andere een onvoorspelbare werksituatie, veelvuldige deadlines en productiepieken en omgaan met conflicten, voldoende rekening gehouden met de psychische klachten van appellante.
2.3.
De verzekeringsarts in bezwaar en beroep is ingegaan op de angst van appellante om de
straat op te gaan en heeft geoordeeld dat appellante in staat is om naar buiten te gaan. Hij heeft erop gewezen dat uit het dagverhaal blijkt dat zij haar dochtertje van en naar school brengt en dat zij ook regelmatig op straat zal zijn geweest toen ze geen vaste eigen
woning had. De rechtbank heeft dit navolgbaar geacht. Volgens de rechtbank is niet voor deze beoordeling relevant dat zij na de datum in geding (3 september 2018) en wel in 2022 de vader van haar dochtertje heeft ingeschakeld om hun dochter naar school te brengen en te halen.
2.4.
Verder heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep erop gewezen dat uit de verklaring
van de psycholoog van 26 oktober 2021 blijkt dat het niet naar buiten gaan niet zozeer voortkomt uit de PTSS, maar uit de depressieve klachten. Omdat de depressieve stoornis is omschreven als matig, moet zij volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep ook met de depressieve klachten in staat worden geacht om buitenshuis te komen.
2.5.
Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep zijn de aandachts- en
concentratiestoornissen die appellante naar voren brengt, niet geobjectiveerd. Tijdens het spreekuur met de primaire arts zijn namelijk geen bijzonderheden waargenomen.
2.6.
In de verklaringen van de behandelend psycholoog is wel melding gemaakt van
concentratie- en geheugenproblemen, maar de rechtbank heeft het Uwv gevolgd dat uit die enkele vermelding niet blijkt dat sprake is van een geobjectiveerde bevinding van deze psycholoog. De omstandigheid dat PTSS vaak gepaard gaat met aandachts- en concentratieproblemen, zoals door appellante is betoogd, wil niet zeggen dat dit in dit geval ook zo is, noch dat dit tot verdergaande medische beperkingen had moeten leiden.
Fysieke beperkingen
2.7.
Volgens de rechtbank is door de verzekeringsarts bezwaar en beroep gemeld dat uit
informatie van de neuroloog van 9 november 2016 en 9 januari 2017 een chronisch pijnsyndroom blijkt. Dat betekent dat er geen geobjectiveerde oorzaak is gevonden voor de lichamelijke klachten. Volgens deze verzekeringsarts is er bij een pijnsyndroom geen medische contra-indicatie voor een normale belasting van het houdings- en bewegingsapparaat. Hoogstens is appellante vanwege haar klachten aangewezen op het vermijden van evident zware fysieke belasting. Daarmee is in de FML rekening is gehouden.
2.8.
De in beroep ingestuurde verklaring van de behandelend neuroloog van 17 oktober 2022
waarin is vermeld dat sprake is van een hernia, is van ruim na de datum in geding en zegt niets over de eventuele beperkingen op de datum in geding.
2.9.
Verder is volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep door de behandelend neuroloog
geen objectiveerbare oorzaak gevonden voor het flauwvallen van appellante doch is daar rekening mee gehouden in de FML (het item werk zonder verhoogd risico). Daarmee is volgens deze arts ook voldoende rekening gehouden met haar medicatiegebruik.
Urenbeperking
2.10.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft geen aanleiding gezien voor een verdergaande urenbeperking dan 36 uur per week. Hij heeft onderbouwd dat appellante niet voldoet aan de criteria van de Standaard Duurbelastbaarheid in Arbeid. Volgens deze verzekeringsarts is de depressie van appellante niet ernstig.
Beoordeling
4.1.
In geschil is of het Uwv terecht de mate van arbeidsongeschiktheid met ingang van 3 september 2018 op minder dan 35% heeft vastgesteld en terecht heeft geweigerd aan appellante per die datum een WIA-uitkering toe te kennen.
4.2.
Wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, is grotendeels een herhaling van de gronden die zij al in beroep naar voren heeft gebracht. De rechtbank heeft die gronden in de aangevallen uitspraak afdoende besproken. Het oordeel van de rechtbank en de aan dit oordeel ten grondslag gelegde overwegingen worden onderschreven. Daaraan wordt het volgende toegevoegd.
4.3.
De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft geoordeeld dat appellante uitgaande van de FML van 31 oktober 2021 geschikt is voor haar eigen werk als schoonmaker en heeft toegelicht dat de belasting in deze functie haar belastbaarheid niet overschrijdt (deadlines, tillen, hoofdbewegingen, boven schouderhoogte, persoonlijk risico en conflicthantering). Subsidiair heeft deze arbeidsdeskundige opnieuw functies geselecteerd en wel textielproductenmaker (SBC-code 111160), productiemedewerkervoedingsmiddelenindustrie (SBC-code 111172), schoonmaker (SBC-code 111332) en medewerker tuinbouw
(SBC-code 111010). Hij heeft de signaleringen onderbouwd en toegelicht. De arbeidsdeskundige wordt gevolgd in zijn oordeel dat het eigen werk van appellante en de geselecteerde functies voor appellante geschikt zijn en haar belastbaarheid niet overschrijden.
4.4.
De rechtbank heeft in rechtsoverweging 17 van de aangevallen uitspraak evenwel andere functies genoemd dan de functies die door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep aan de beoordeling ten grondslag zijn gelegd. De rechtbank heeft namelijk in plaats daarvan de functies van productiemedewerker industrie (SBC-code 111180), inpakker
(SBC-code 111190) en telefonisch verkoper (SBC-code 315173) genoemd. Omdat deze functies in het dossier nergens worden genoemd, gaat de Raad ervan uit dat sprake is van een vergissing van de rechtbank. Het bestreden besluit zal in zoverre worden vernietigd.
4.5.
De grond dat de functie van telefonisch verkoper voor appellante niet geschikt is omdat zij de Nederlandse taal onvoldoende beheerst, treft geen doel. Deze functie is immers per abuis genoemd door de rechtbank en ligt niet ten grondslag aan het bestreden besluit. Overigens geldt voor de door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep geselecteerde functies opleidingsniveau 1: geen tot enkele jaren basisonderwijs en beheersing van de Nederlandse taal op eenvoudig (basis) niveau. Niet gebleken is dat appellante daaraan niet voldoet.
4.6.
Uit rechtsoverweging 4.2 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep slaagt voor zover de rechtbank de onjuiste geselecteerde functies heeft genoemd en dat de aangevallen uitspraak in zoverre wordt vernietigd. Voor het overige wordt de aangevallen uitspraak bevestigd.
5. Aanleiding bestaat om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep. Deze kosten van aan appellante verleende rechtsbijstand worden, onder toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht, in beroep begroot op € 1.750,- (1 punt voor het hoger beroepschrift en 1 punt voor de aanwezigheid ter zitting in hoger beroep, met een waarde van € 875,- per punt en een wegingsfactor 1). Ook moet het Uwv het door appellante in hoger beroep betaalde griffierecht ter hoogte van € 136,- vergoeden.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep:
- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover de rechtbank daarin drie onjuiste functies
heeft genoemd;
- bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;
- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante in hoger beroep tot een bedrag van
€ 1.750,-;
- bepaalt dat het Uwv aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 136,-
vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door J.D. Streefkerk, in tegenwoordigheid van A.M. Korver als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 mei 2024.
(getekend) J.D. Streefkerk
(getekend) A.M. Korver