Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2024-05-16
ECLI:NL:CRVB:2024:1008
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
880 tokens
Inleiding
184713 WAJONG
Datum uitspraak: 16 mei 2024
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 18 juli 2018, 18/339 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Procesverloop
Namens appellante heeft mr. E.V. Huisman hoger beroep ingesteld.
Als opvolgend gemachtigde heeft mr. F. Reith, advocaat, zich gesteld.
Het Uwv heeft op 10 oktober 2023, aangevuld op 21 november 2023, een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen.
Op 5 februari 2024 heeft mr. Reith namens appellante het hoger beroep ingetrokken en verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten.
Het Uwv heeft hiertegen geen bezwaar gemaakt.
Onder toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Namens appellante is het hoger beroep ingetrokken omdat het Uwv met de gewijzigde beslissing op bezwaar van 10 oktober 2023, aangevuld op 21 november 2023, volledig aan de bezwaren van appellante is tegemoetgekomen.
De Raad ziet aanleiding het Uwv te veroordelen in de kosten die appellante in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.
De proceskosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 1.750,- in beroep (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting) en € 3.500,- in hoger beroep (1 punt voor het indienen van het hogerberoepschrift, 1 punt voor de zitting, 0,5 punt voor schriftelijke inlichtingen/zienswijze van 15 oktober 2021, 0,5 punt voor de zienswijze van 17 mei 2022, 0,5 punt voor de zienswijze van 8 december 2022, 0,5 punt voor de nadere zitting van 21 maart 2023), in totaal € 5.250,-.
Ook dient het Uwv het door appellante in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep
- veroordeelt het Uwv in de kosten van appellante tot een bedrag van € 5.250,-;
- bepaalt dat het Uwv het door appellante in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 172,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door S.B. Smit-Colenbrander, in tegenwoordigheid van S.C. Scholten als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 mei 2024.
(getekend) S.B. Smit-Colenbrander
(getekend) S.C. Scholten