Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2023-01-17
ECLI:NL:CRVB:2023:88
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
4,712 tokens
Inleiding
212149 PW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 7 mei 2021, 20/2253 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Groningen (college)
Datum uitspraak: 17 januari 2023
Procesverloop
Namens appellant heeft mr. E. van Wolde, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 november 2022. Namens appellant is mr. Van Wolde verschenen. Het college heeft zich niet laten vertegenwoordigen.
Overwegingen
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellant is na een verblijf in het buitenland van ongeveer vier maanden op 4 maart 2020 teruggekeerd naar Nederland. Op 13 maart 2020 heeft hij het dak- en thuislozenspreekuur van de gemeente Groningen bezocht om een briefadres te krijgen. Vanaf 27 maart 2020 staat appellant in de Basisregistratie Personen ingeschreven op een adres in [woonplaats] .
1.2.
Appellant heeft op 7 april 2020 een aanvraag om bijstand op grond van de Participatiewet (PW) ingediend, met 27 maart 2020 als gewenste ingangsdatum. Op het aanvraagformulier heeft appellant vermeld dat hij vanaf 27 september 2019 geen inkomen meer heeft en dat hij heeft geleefd van leningen van familie. Bij brieven van 14 april 2020 en 6 mei 2020 heeft het college appellant verzocht om aanvullende gegevens te verstrekken, waaronder bankafschriften en bewijs waaruit blijkt waar appellant van heeft geleefd. Op 12 mei 2020 heeft appellant een intakegesprek gevoerd met twee medewerkers van de gemeente Groningen. Volgens het verslag van dat gesprek heeft appellant toen onder meer verklaard dat hij na zijn terugkomst in Nederland heeft geleefd van leningen van zijn kinderen en van een lening, ontvangen in april 2020, van een vriend uit Duitsland, en dat van de leningen geen overeenkomsten zijn opgesteld. Uit de bankafschriften die appellant had meegenomen naar het gesprek blijkt onder andere dat op zijn bankrekening op 27 april 2020 € 1.000,- van een derde (X) is bijgeschreven, onder vermelding van ‘DR. [X] SCHULDEN’ (bijschrijving).
1.3.
Bij besluit van 14 mei 2020, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 17 juli 2020
(bestreden besluit), heeft het college aan appellant met ingang van 1 mei 2020 bijstand verleend naar de norm voor een alleenstaande. Voor verlening van bijstand met ingang van 27 maart 2020 is volgens het college geen grond omdat appellant zich pas op 7 april 2020 heeft gemeld voor bijstand en hij in de maand april 2020 een bijschrijving op zijn bankrekening heeft gehad, waarmee hij in die maand over voldoende middelen van bestaan beschikte.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep heeft appellant zich op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Appellant heeft zich op 7 april 2020 gemeld om bijstand aan te vragen
4.1.
Ingevolge artikel 44, eerste lid, van de PW wordt, indien door het college is vastgesteld dat recht op bijstand bestaat, de bijstand toegekend vanaf de dag waarop dit recht is ontstaan, voor zover deze dag niet ligt voor de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen.
4.2.
Appellant voert aan dat hij zich niet pas op 7 april 2020 heeft gemeld om bijstand aan te vragen, maar al op 13 maart 2020, en dat de bijstand dus moet worden verleend vanaf 27 maart 2020, de door hem gewenste ingangsdatum. Hij heeft zich namelijk al op 13 maart 2020 gemeld bij het dak- en thuislozenspreekuur van de Sociale Dienst van de gemeente Groningen met de bedoeling om bijstand te krijgen. Deze beroepsgrond slaagt niet. Hierbij is het volgende van betekenis.
4.2.1.Ingevolge het tweede lid van artikel 44 van de PW kan worden gesproken van een melding bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of bij het college indien de naam, het adres, en de woonplaats van de betrokkene zijn geregistreerd en hij in staat is gesteld een aanvraag in te dienen.
4.2.2.
Niet in geschil is dat appellant op 13 maart 2020, in het gesprek met het daklozenteam, geen duidelijkheid heeft verschaft over zijn feitelijke verblijfplaats en dat als gevolg daarvan op die dag geen registratie van zijn adres en woonplaats heeft plaatsgevonden. Daarom heeft appellant zich op die dag niet gemeld in de zin van artikel 44, tweede lid, van de PW. Vergelijk de uitspraak van 17 maart 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:863.
De bijschrijving is een middel dat in de weg staat aan de verlening van bijstand
4.3.
Een betrokkene heeft in beginsel geen recht op bijstand indien en voor zover hij/zij zich periodieke middelen tot levensonderhoud verschaft door leningen aan te gaan. Dit is vaste rechtspraak (uitspraak van 22 januari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BY9138). Dit kan anders zijn indien die betrokkene in een periode waarin geen of ontoereikende inkomsten aanwezig zijn voor de voorziening in het levensonderhoud is aangewezen op het aangaan van leningen. Daartoe dient de betrokkene in ieder geval aannemelijk te maken dat hij geen ander
toereikend inkomen heeft en dat het gaat om leningen die zijn verstrekt voor levensonderhoud. De betrokkene moet over die leningen aannemelijk maken van wie, wanneer, op welke wijze en tot welk bedrag hij de lening heeft ontvangen. Ook moet de betrokkene aannemelijk maken dat bij de betaling, en niet later, de afspraak is gemaakt dat het een lening betreft en dat die dus moet worden terugbetaald, en dat die lening is bedoeld voor levensonderhoud. Een bankoverschrijving met de vermelding ‘lening voor levensonderhoud’, waarbij de identiteit van de crediteur vaststaat, zal daartoe in beginsel volstaan. Ook dit is vaste rechtspraak. Zie onder meer de uitspraak van 15 september 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3188).
4.4.
Appellant voert aan dat de bijschrijving buiten de middelen moet worden gehouden en dat aan hem dus in ieder geval per 7 april 2020 bijstand moet worden verleend. De bijschrijving was namelijk een lening voor levensonderhoud die hij van zijn vriend X heeft ontvangen in een periode waarin hij geen bijstand of ander inkomen ontving. Appellant wijst hiervoor op zijn consistente verklaringen dat hij heeft geleefd van leningen, op de in bezwaar overgelegde schriftelijke verklaring van X van 26 april 2020 en op zijn bankafschriften, waaruit volgens hem blijkt dat hij het geld van X heeft gebruikt voor de betaling van zijn zorgpremie en levensmiddelen. Deze beroepsgrond slaagt ook niet. Hierbij is het volgende van betekenis.
4.4.1.
Vaststaat dat appellant ten tijde van de ontvangst van de bijschrijving van € 1.000,- in afwachting was van een beslissing op zijn aanvraag om bijstand en dat hij geen ander inkomen ontving.
4.4.2.
Appellant heeft ter zitting van de Raad bevestigd dat uit het bankafschrift van de bijschrijving van € 1.000,- niet blijkt dat het gaat om een lening voor levensonderhoud. Hij heeft dit ook niet op andere wijze aannemelijk gemaakt. Hiertoe wordt het volgende overwogen.
4.4.3.
De schriftelijke verklaring van X, gedagtekend 26 april 2020, is een handgeschreven briefje in de Duitse taal. In deze verklaring bevestigt X dat hij op 27 april 2020 € 1000 naar appellant heeft overgemaakt en dat hij met appellant is overeengekomen dat appellant zijn schuld aflost nadat zijn financiën zijn verbeterd. Uit deze verklaring valt niet af te leiden dat de bijschrijving een lening is met een concrete afbetalingsverplichting. Bovendien kan niet worden vastgesteld dat de verklaring van X is opgemaakt op de dag dat die verklaring is gedagtekend. Zoals het college terecht heeft opgemerkt, doet de formulering van de verklaring, waarin X bevestigt dat hij op 27 april 2020 geld heeft overgemaakt aan appellant, vermoeden dat de verklaring van X niet al op 26 april 2020 is opgemaakt. Verder heeft appellant de verklaring van X pas in bezwaar overgelegd, terwijl hij dat, uitgaande van de dagtekening van de verklaring, al veel eerder had kunnen doen. Dit had ook voor de hand gelegen omdat het college tweemaal heeft verzocht om bewijs waarvan hij heeft geleefd.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens, in tegenwoordigheid van E.A.J. Westra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 januari 2023.
(getekend) W.F. Claessens
(getekend) E.A.J. Westra
Inleiding
212149 PW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 7 mei 2021, 20/2253 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Groningen (college)
Datum uitspraak: 17 januari 2023
Procesverloop
Namens appellant heeft mr. E. van Wolde, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 november 2022. Namens appellant is mr. Van Wolde verschenen. Het college heeft zich niet laten vertegenwoordigen.
Overwegingen
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellant is na een verblijf in het buitenland van ongeveer vier maanden op 4 maart 2020 teruggekeerd naar Nederland. Op 13 maart 2020 heeft hij het dak- en thuislozenspreekuur van de gemeente Groningen bezocht om een briefadres te krijgen. Vanaf 27 maart 2020 staat appellant in de Basisregistratie Personen ingeschreven op een adres in [woonplaats] .
1.2.
Appellant heeft op 7 april 2020 een aanvraag om bijstand op grond van de Participatiewet (PW) ingediend, met 27 maart 2020 als gewenste ingangsdatum. Op het aanvraagformulier heeft appellant vermeld dat hij vanaf 27 september 2019 geen inkomen meer heeft en dat hij heeft geleefd van leningen van familie. Bij brieven van 14 april 2020 en 6 mei 2020 heeft het college appellant verzocht om aanvullende gegevens te verstrekken, waaronder bankafschriften en bewijs waaruit blijkt waar appellant van heeft geleefd. Op 12 mei 2020 heeft appellant een intakegesprek gevoerd met twee medewerkers van de gemeente Groningen. Volgens het verslag van dat gesprek heeft appellant toen onder meer verklaard dat hij na zijn terugkomst in Nederland heeft geleefd van leningen van zijn kinderen en van een lening, ontvangen in april 2020, van een vriend uit Duitsland, en dat van de leningen geen overeenkomsten zijn opgesteld. Uit de bankafschriften die appellant had meegenomen naar het gesprek blijkt onder andere dat op zijn bankrekening op 27 april 2020 € 1.000,- van een derde (X) is bijgeschreven, onder vermelding van ‘DR. [X] SCHULDEN’ (bijschrijving).
1.3.
Bij besluit van 14 mei 2020, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 17 juli 2020
(bestreden besluit), heeft het college aan appellant met ingang van 1 mei 2020 bijstand verleend naar de norm voor een alleenstaande. Voor verlening van bijstand met ingang van 27 maart 2020 is volgens het college geen grond omdat appellant zich pas op 7 april 2020 heeft gemeld voor bijstand en hij in de maand april 2020 een bijschrijving op zijn bankrekening heeft gehad, waarmee hij in die maand over voldoende middelen van bestaan beschikte.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep heeft appellant zich op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Appellant heeft zich op 7 april 2020 gemeld om bijstand aan te vragen
4.1.
Ingevolge artikel 44, eerste lid, van de PW wordt, indien door het college is vastgesteld dat recht op bijstand bestaat, de bijstand toegekend vanaf de dag waarop dit recht is ontstaan, voor zover deze dag niet ligt voor de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen.
4.2.
Appellant voert aan dat hij zich niet pas op 7 april 2020 heeft gemeld om bijstand aan te vragen, maar al op 13 maart 2020, en dat de bijstand dus moet worden verleend vanaf 27 maart 2020, de door hem gewenste ingangsdatum. Hij heeft zich namelijk al op 13 maart 2020 gemeld bij het dak- en thuislozenspreekuur van de Sociale Dienst van de gemeente Groningen met de bedoeling om bijstand te krijgen. Deze beroepsgrond slaagt niet. Hierbij is het volgende van betekenis.
4.2.1.Ingevolge het tweede lid van artikel 44 van de PW kan worden gesproken van een melding bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of bij het college indien de naam, het adres, en de woonplaats van de betrokkene zijn geregistreerd en hij in staat is gesteld een aanvraag in te dienen.
4.2.2.
Niet in geschil is dat appellant op 13 maart 2020, in het gesprek met het daklozenteam, geen duidelijkheid heeft verschaft over zijn feitelijke verblijfplaats en dat als gevolg daarvan op die dag geen registratie van zijn adres en woonplaats heeft plaatsgevonden. Daarom heeft appellant zich op die dag niet gemeld in de zin van artikel 44, tweede lid, van de PW. Vergelijk de uitspraak van 17 maart 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:863.
De bijschrijving is een middel dat in de weg staat aan de verlening van bijstand
4.3.
Een betrokkene heeft in beginsel geen recht op bijstand indien en voor zover hij/zij zich periodieke middelen tot levensonderhoud verschaft door leningen aan te gaan. Dit is vaste rechtspraak (uitspraak van 22 januari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BY9138). Dit kan anders zijn indien die betrokkene in een periode waarin geen of ontoereikende inkomsten aanwezig zijn voor de voorziening in het levensonderhoud is aangewezen op het aangaan van leningen. Daartoe dient de betrokkene in ieder geval aannemelijk te maken dat hij geen ander
toereikend inkomen heeft en dat het gaat om leningen die zijn verstrekt voor levensonderhoud. De betrokkene moet over die leningen aannemelijk maken van wie, wanneer, op welke wijze en tot welk bedrag hij de lening heeft ontvangen. Ook moet de betrokkene aannemelijk maken dat bij de betaling, en niet later, de afspraak is gemaakt dat het een lening betreft en dat die dus moet worden terugbetaald, en dat die lening is bedoeld voor levensonderhoud. Een bankoverschrijving met de vermelding ‘lening voor levensonderhoud’, waarbij de identiteit van de crediteur vaststaat, zal daartoe in beginsel volstaan. Ook dit is vaste rechtspraak. Zie onder meer de uitspraak van 15 september 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3188).
4.4.
Appellant voert aan dat de bijschrijving buiten de middelen moet worden gehouden en dat aan hem dus in ieder geval per 7 april 2020 bijstand moet worden verleend. De bijschrijving was namelijk een lening voor levensonderhoud die hij van zijn vriend X heeft ontvangen in een periode waarin hij geen bijstand of ander inkomen ontving. Appellant wijst hiervoor op zijn consistente verklaringen dat hij heeft geleefd van leningen, op de in bezwaar overgelegde schriftelijke verklaring van X van 26 april 2020 en op zijn bankafschriften, waaruit volgens hem blijkt dat hij het geld van X heeft gebruikt voor de betaling van zijn zorgpremie en levensmiddelen. Deze beroepsgrond slaagt ook niet. Hierbij is het volgende van betekenis.
4.4.1.
Vaststaat dat appellant ten tijde van de ontvangst van de bijschrijving van € 1.000,- in afwachting was van een beslissing op zijn aanvraag om bijstand en dat hij geen ander inkomen ontving.
4.4.2.
Appellant heeft ter zitting van de Raad bevestigd dat uit het bankafschrift van de bijschrijving van € 1.000,- niet blijkt dat het gaat om een lening voor levensonderhoud. Hij heeft dit ook niet op andere wijze aannemelijk gemaakt. Hiertoe wordt het volgende overwogen.
4.4.3.
De schriftelijke verklaring van X, gedagtekend 26 april 2020, is een handgeschreven briefje in de Duitse taal. In deze verklaring bevestigt X dat hij op 27 april 2020 € 1000 naar appellant heeft overgemaakt en dat hij met appellant is overeengekomen dat appellant zijn schuld aflost nadat zijn financiën zijn verbeterd. Uit deze verklaring valt niet af te leiden dat de bijschrijving een lening is met een concrete afbetalingsverplichting. Bovendien kan niet worden vastgesteld dat de verklaring van X is opgemaakt op de dag dat die verklaring is gedagtekend. Zoals het college terecht heeft opgemerkt, doet de formulering van de verklaring, waarin X bevestigt dat hij op 27 april 2020 geld heeft overgemaakt aan appellant, vermoeden dat de verklaring van X niet al op 26 april 2020 is opgemaakt. Verder heeft appellant de verklaring van X pas in bezwaar overgelegd, terwijl hij dat, uitgaande van de dagtekening van de verklaring, al veel eerder had kunnen doen. Dit had ook voor de hand gelegen omdat het college tweemaal heeft verzocht om bewijs waarvan hij heeft geleefd.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens, in tegenwoordigheid van E.A.J. Westra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 januari 2023.
(getekend) W.F. Claessens
(getekend) E.A.J. Westra