Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2023-04-12
ECLI:NL:CRVB:2023:673
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
4,780 tokens
Inleiding
21 3081 WAJONG
Datum uitspraak: 12 april 2023
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 21 juli 2021, 20/4858 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Procesverloop
Namens appellante heeft mr. F. Çelen, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 maart 2023. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Çelen. Ook zijn de ouders van appellante verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.M. Breevoort.
Overwegingen
1.1.
Appellante, geboren op [geboortedatum] 2000, heeft met een door het Uwv op 28 mei 2019
ontvangen formulier een aanvraag ingediend om uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). Daarbij is vermeld dat appellante epilepsie, een ontwikkelingsachterstand en een stressstoornis heeft. Het Uwv heeft vervolgens een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek verricht. Bij besluit van 23 juli 2019 heeft het Uwv de aanvraag afgewezen omdat appellante arbeidsvermogen heeft.
1.2.
Bij besluit van 5 augustus 2020 (bestreden besluit) heeft het Uwv het door appellante tegen het besluit van 23 juli 2019 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek voldoende zorgvuldig is. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft inzichtelijk gemotiveerd dat van volledige arbeidsongeschiktheid op medische gronden geen sprake is. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft onderkend dat appellante veel begeleiding nodig heeft. Daarnaast heeft hij voldoende gemotiveerd waarom en onder welke voorwaarden appellante in staat is ten minste een uur aaneengesloten te werken en ten minste vier uur per dag belastbaar is. Naar aanleiding van de door appellante overgelegde medische informatie heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende gemotiveerd dat deze informatie geen wezenlijk ander beeld geeft van de medische situatie en de belastbaarheid van appellante. Bij de beoordeling is rekening gehouden met een verstandelijke beperking en nachtelijke epilepsie. Appellante wordt in staat geacht om onder passende omstandigheden en met passende begeleiding werkzaamheden te verrichten. De bevindingen en conclusies die zijn vermeld in het door appellante overgelegde rapport van neuropsychologisch onderzoek van 17 februari 2021, sluiten aan bij de voor appellante aangenomen beperkingen en voorwaarden. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft inzichtelijk gemotiveerd waarom appellante beschikt over basale werknemersvaardigheden en zij in staat is om de taak ‘broodjes beleggen’ uit te voeren in een arbeidsorganisatie. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv terecht bepaald dat appellante arbeidsvermogen heeft en dat zij daarom niet in aanmerking komt voor een Wajong-uitkering.
3.1.
Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is. Volgens appellante heeft het Uwv niet, dan wel onvoldoende, rekening gehouden met de overgelegde medische stukken. De verzekeringsarts heeft onvoldoende onderzoek gedaan naar de ernst en de problemen van appellante. Appellante stelt dat zij voldoet aan de eisen van artikel 1a:1, eerste lid, van de Wajong. Zij acht zich niet in staat om ten minste een uur aaneengesloten dan wel vier uur per dag te werken. Tijdens de stageperiode waarin appellante intensief werd begeleid, is dat ook niet gelukt en namen de klachten juist toe waardoor de situatie verslechterde. Hierdoor kreeg appellante vaker epileptische aanvallen en werden deze heftiger. Appellante betwist dat zij enkel in de nacht aanvallen heeft en stelt dat de aanvallen ook overdag voorkomen. Appellante heeft dan telkens een paar dagen nodig om te herstellen. Appellante stelt dat zij niet in staat is om zelfstandig taken uit te voeren. Zij vergeet vaak wat zij moet doen en heeft ernstige concentratieproblemen. Appellante acht zich niet in staat een taak uit te voeren binnen een arbeidsorganisatie en wijst daarbij op haar ernstige epileptische aanvallen die zich onregelmatig voordoen. Een stage is volgens appellante niet te vergelijken met een arbeidsorganisatie, waarbij een werkgever toch meer verantwoordelijkheid zal verwachten van een werknemer. Appellante betwist ook dat zij basale werknemersvaardigheden heeft.
3.2.
Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
4. De Raad oordeelt als volgt.
4.1.1.
Op grond van artikel 1a:1, eerste lid, van de Wajong is jonggehandicapte de ingezetene die:
a. op de dag waarop hij achttien jaar wordt als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft;
b. na de in onderdeel a bedoelde dag als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft en in het jaar, onmiddellijk voorafgaand aan de dag waarop dit is ingetreden, gedurende ten minste zes maanden studerende was.
4.1.2.
Op grond van artikel 1a, eerste lid, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (Schattingsbesluit) heeft de betrokkene geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie (arbeidsvermogen) als hij (a) geen taak kan uitvoeren in een arbeidsorganisatie, (b) niet over basale werknemersvaardigheden beschikt, (c) niet aaneengesloten kan werken gedurende ten minste een periode van een uur, of (d) niet ten minste vier uur per dag belastbaar is. Het Uwv moet dus beoordelen of een betrokkene voldoet aan (ten minste) een van deze vier genoemde voorwaarden. Is dat het geval, dan heeft de betrokkene geen arbeidsvermogen. Voor een meer algemene beschrijving van het beoordelingskader wordt verwezen naar de uitspraken van de Raad van 5 april 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1018 en 16 januari 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:286.
4.2.
Tussen partijen is in geschil of appellante arbeidsvermogen had op [geboortedatum] 2018, de dag dat zij achttien jaar is geworden.
4.3.
De rechtbank wordt gevolgd in haar oordeel dat het medisch onderzoek voldoende zorgvuldig is. De overwegingen van de rechtbank, zoals weergegeven onder 6.1 van haar uitspraak worden overgenomen en hieraan wordt het volgende toegevoegd. De verzekeringsarts (bezwaar en beroep) heeft uitgebreid gerapporteerd over de aandoeningen van appellante en niet is gebleken dat hij van de medische situatie een onvolledig beeld had. In zijn rapporten van 14 juli 2020, 7 januari 2021, 4 maart 2021 en 21 april 2021 is de verzekeringsarts bezwaar en beroep uitvoerig ingegaan op alle door appellante – ook in (hoger) beroep – overgelegde informatie. De stelling van appellante dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep onvoldoende serieus naar deze stukken heeft gekeken wordt dan ook niet gevolgd.
4.4.
De rechtbank wordt ook gevolgd in haar oordeel dat er geen aanleiding is te twijfelen aan de conclusies van de verzekeringsartsen. Met (onder meer) de epilepsie van appellante en haar verstandelijke beperking is rekening gehouden en in dit verband zijn meerdere belemmeringen aangenomen voor het verrichten van arbeid. Als gevolg van vermoeidheidsklachten na overprikkeling heeft de verzekeringsarts wel enige urenrestrictie (zes uur per dag, dertig uur per week) aangenomen, maar appellante in staat geacht om ten minste vier uur per dag belastbaar te zijn. In wat appellante heeft aangevoerd over haar stageperiode wordt geen aanleiding gezien voor een andersluidend oordeel. Uit de beschikbare stukken over de stages die appellante heeft gevolgd bij Brasserie op Zuid en het stadhuis van de gemeente Rotterdam blijkt namelijk niet dat appellante slechts een deel van de werkdag werkzaam kon zijn, en evenmin dat zij zich vaak – al dan niet in de loop van de dag – heeft moeten ziekmelden. Ook uit de beschikbare medische gegevens over (onder meer) de epilepsie blijkt niet dat een verdergaande urenbeperking moet worden aangenomen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft eveneens afdoende gemotiveerd dat appellante een uur achtereen werkzaam kan zijn.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door W.J.A.M. van Brussel als voorzitter, C.F.E. van Olden-Smit en J.D. Streefkerk als leden, in tegenwoordigheid van A.L.K. Dagmar als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 april 2023.
(getekend) W.J.A.M. van Brussel
(getekend) A.L.K. Dagmar
Inleiding
21 3081 WAJONG
Datum uitspraak: 12 april 2023
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 21 juli 2021, 20/4858 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Procesverloop
Namens appellante heeft mr. F. Çelen, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 maart 2023. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Çelen. Ook zijn de ouders van appellante verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.M. Breevoort.
Overwegingen
1.1.
Appellante, geboren op [geboortedatum] 2000, heeft met een door het Uwv op 28 mei 2019
ontvangen formulier een aanvraag ingediend om uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). Daarbij is vermeld dat appellante epilepsie, een ontwikkelingsachterstand en een stressstoornis heeft. Het Uwv heeft vervolgens een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek verricht. Bij besluit van 23 juli 2019 heeft het Uwv de aanvraag afgewezen omdat appellante arbeidsvermogen heeft.
1.2.
Bij besluit van 5 augustus 2020 (bestreden besluit) heeft het Uwv het door appellante tegen het besluit van 23 juli 2019 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek voldoende zorgvuldig is. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft inzichtelijk gemotiveerd dat van volledige arbeidsongeschiktheid op medische gronden geen sprake is. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft onderkend dat appellante veel begeleiding nodig heeft. Daarnaast heeft hij voldoende gemotiveerd waarom en onder welke voorwaarden appellante in staat is ten minste een uur aaneengesloten te werken en ten minste vier uur per dag belastbaar is. Naar aanleiding van de door appellante overgelegde medische informatie heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende gemotiveerd dat deze informatie geen wezenlijk ander beeld geeft van de medische situatie en de belastbaarheid van appellante. Bij de beoordeling is rekening gehouden met een verstandelijke beperking en nachtelijke epilepsie. Appellante wordt in staat geacht om onder passende omstandigheden en met passende begeleiding werkzaamheden te verrichten. De bevindingen en conclusies die zijn vermeld in het door appellante overgelegde rapport van neuropsychologisch onderzoek van 17 februari 2021, sluiten aan bij de voor appellante aangenomen beperkingen en voorwaarden. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft inzichtelijk gemotiveerd waarom appellante beschikt over basale werknemersvaardigheden en zij in staat is om de taak ‘broodjes beleggen’ uit te voeren in een arbeidsorganisatie. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv terecht bepaald dat appellante arbeidsvermogen heeft en dat zij daarom niet in aanmerking komt voor een Wajong-uitkering.
3.1.
Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is. Volgens appellante heeft het Uwv niet, dan wel onvoldoende, rekening gehouden met de overgelegde medische stukken. De verzekeringsarts heeft onvoldoende onderzoek gedaan naar de ernst en de problemen van appellante. Appellante stelt dat zij voldoet aan de eisen van artikel 1a:1, eerste lid, van de Wajong. Zij acht zich niet in staat om ten minste een uur aaneengesloten dan wel vier uur per dag te werken. Tijdens de stageperiode waarin appellante intensief werd begeleid, is dat ook niet gelukt en namen de klachten juist toe waardoor de situatie verslechterde. Hierdoor kreeg appellante vaker epileptische aanvallen en werden deze heftiger. Appellante betwist dat zij enkel in de nacht aanvallen heeft en stelt dat de aanvallen ook overdag voorkomen. Appellante heeft dan telkens een paar dagen nodig om te herstellen. Appellante stelt dat zij niet in staat is om zelfstandig taken uit te voeren. Zij vergeet vaak wat zij moet doen en heeft ernstige concentratieproblemen. Appellante acht zich niet in staat een taak uit te voeren binnen een arbeidsorganisatie en wijst daarbij op haar ernstige epileptische aanvallen die zich onregelmatig voordoen. Een stage is volgens appellante niet te vergelijken met een arbeidsorganisatie, waarbij een werkgever toch meer verantwoordelijkheid zal verwachten van een werknemer. Appellante betwist ook dat zij basale werknemersvaardigheden heeft.
3.2.
Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
4. De Raad oordeelt als volgt.
4.1.1.
Op grond van artikel 1a:1, eerste lid, van de Wajong is jonggehandicapte de ingezetene die:
a. op de dag waarop hij achttien jaar wordt als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft;
b. na de in onderdeel a bedoelde dag als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft en in het jaar, onmiddellijk voorafgaand aan de dag waarop dit is ingetreden, gedurende ten minste zes maanden studerende was.
4.1.2.
Op grond van artikel 1a, eerste lid, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (Schattingsbesluit) heeft de betrokkene geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie (arbeidsvermogen) als hij (a) geen taak kan uitvoeren in een arbeidsorganisatie, (b) niet over basale werknemersvaardigheden beschikt, (c) niet aaneengesloten kan werken gedurende ten minste een periode van een uur, of (d) niet ten minste vier uur per dag belastbaar is. Het Uwv moet dus beoordelen of een betrokkene voldoet aan (ten minste) een van deze vier genoemde voorwaarden. Is dat het geval, dan heeft de betrokkene geen arbeidsvermogen. Voor een meer algemene beschrijving van het beoordelingskader wordt verwezen naar de uitspraken van de Raad van 5 april 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1018 en 16 januari 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:286.
4.2.
Tussen partijen is in geschil of appellante arbeidsvermogen had op [geboortedatum] 2018, de dag dat zij achttien jaar is geworden.
4.3.
De rechtbank wordt gevolgd in haar oordeel dat het medisch onderzoek voldoende zorgvuldig is. De overwegingen van de rechtbank, zoals weergegeven onder 6.1 van haar uitspraak worden overgenomen en hieraan wordt het volgende toegevoegd. De verzekeringsarts (bezwaar en beroep) heeft uitgebreid gerapporteerd over de aandoeningen van appellante en niet is gebleken dat hij van de medische situatie een onvolledig beeld had. In zijn rapporten van 14 juli 2020, 7 januari 2021, 4 maart 2021 en 21 april 2021 is de verzekeringsarts bezwaar en beroep uitvoerig ingegaan op alle door appellante – ook in (hoger) beroep – overgelegde informatie. De stelling van appellante dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep onvoldoende serieus naar deze stukken heeft gekeken wordt dan ook niet gevolgd.
4.4.
De rechtbank wordt ook gevolgd in haar oordeel dat er geen aanleiding is te twijfelen aan de conclusies van de verzekeringsartsen. Met (onder meer) de epilepsie van appellante en haar verstandelijke beperking is rekening gehouden en in dit verband zijn meerdere belemmeringen aangenomen voor het verrichten van arbeid. Als gevolg van vermoeidheidsklachten na overprikkeling heeft de verzekeringsarts wel enige urenrestrictie (zes uur per dag, dertig uur per week) aangenomen, maar appellante in staat geacht om ten minste vier uur per dag belastbaar te zijn. In wat appellante heeft aangevoerd over haar stageperiode wordt geen aanleiding gezien voor een andersluidend oordeel. Uit de beschikbare stukken over de stages die appellante heeft gevolgd bij Brasserie op Zuid en het stadhuis van de gemeente Rotterdam blijkt namelijk niet dat appellante slechts een deel van de werkdag werkzaam kon zijn, en evenmin dat zij zich vaak – al dan niet in de loop van de dag – heeft moeten ziekmelden. Ook uit de beschikbare medische gegevens over (onder meer) de epilepsie blijkt niet dat een verdergaande urenbeperking moet worden aangenomen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft eveneens afdoende gemotiveerd dat appellante een uur achtereen werkzaam kan zijn.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door W.J.A.M. van Brussel als voorzitter, C.F.E. van Olden-Smit en J.D. Streefkerk als leden, in tegenwoordigheid van A.L.K. Dagmar als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 april 2023.
(getekend) W.J.A.M. van Brussel
(getekend) A.L.K. Dagmar