Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2023-03-28
ECLI:NL:CRVB:2023:610
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
5,228 tokens
Inleiding
211525 PW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 31 maart 2021, 20/5952 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] (appellante) en [appellant] (appellant), beiden te [woonplaats]
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)
Datum uitspraak: 28 maart 2023
Procesverloop
Namens appellanten heeft mr. L. van Dinter, advocaat, hoger beroep ingesteld, waarna de zaak is overgenomen door mr. S. Ata, advocaat.
De Raad heeft partijen bij brief van 2 november 2022 (regiebrief) laten weten hoe de Raad het geschil voorshands ziet en welke vragen dat bij de Raad oproept. De Raad heeft appellante in de regiebrief verschillende mogelijkheden geboden wat betreft het verdere verloop van de procedure, waaronder de mogelijkheid haar standpunt nader te onderbouwen. Ook na een herinnering bij brief van 21 december 2022 heeft de Raad van appellanten geen reactie ontvangen.
De Raad heeft partijen vervolgens gewezen op hun recht om ter zitting te worden gehoord. Appellanten hebben niet binnen de hen gegeven termijn verklaard dat zij gebruik willen maken van dat recht. Het college heeft de Raad bericht dat de zaak zonder zitting kan worden afgedaan. Daarom heeft de Raad met toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft. Daarna heeft de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb gesloten.
Overwegingen
1. In deze zaak beoordeelt de Raad een besluit tot herziening, intrekking en terugvordering van bijstand en een aan appellanten opgelegde boete.
1.1.
Appellanten ontvingen bijstand op grond van de Participatiewet (PW). Het college heeft in het kader van een heronderzoek onder meer bankafschriften van appellanten en hun inwonende minderjarige kinderen opgevraagd. Dat ging over een periode van drie maanden voorafgaand aan 21 februari 2020. Omdat op de daarop ingeleverde bankafschriften kasstortingen en bijschrijvingen zichtbaar waren, heeft het college bankafschriften opgevraagd over een langere periode, de periode vanaf 1 februari 2019 tot en met 31 januari 2020. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 27 maart 2020.
1.2.
De onderzoeksbevindingen hebben geleid tot een aantal besluiten. Het college heeft bij besluit van 20 april 2020 de bijstand van appellanten herzien en teruggevorderd over de periode van 1 februari 2019 tot en met 31 januari 2020. De terugvordering bedraagt € 5.528,55. Het college heeft de terugvordering over 2019 gebruteerd bij besluit van 26 mei 2020. De totale terugvordering bedraagt na brutering € 7.893,43. Tot slot heeft het college appellanten bij besluit van 26 juni 2020 een boete opgelegd van € 1.800,-.
1.3.
Bij besluit op bezwaar van 2 november 2020 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren van appellanten tegen de in 1.2 genoemde besluiten deels gegrond verklaard. Het college heeft de boete vastgesteld op € 900,- en het college heeft de bijstand over de maand september 2019 ingetrokken, zodat over die maand niet langer sprake is van een herziening. Voor het overige is de eerdere besluitvorming in stand gebleven.
1.4.
Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat appellanten de inlichtingenverplichting hebben geschonden door geen melding te maken van bijschrijvingen en kasstortingen op de bankrekeningen van appellante en van twee minderjarige kinderen. Het college heeft een deel van de bijschrijvingen en kasstortingen in aanmerking genomen als inkomen. Het college is bij de boete uitgegaan van normale verwijtbaarheid en heeft bij de draagkracht rekening gehouden met een beslagvrije voet van 95% van de toepasselijke bijstandsnorm.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellanten tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellanten hebben zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen deze uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd. Daarvoor is het volgende van belang.
Wat niet in geschil is
4.2.
Niet in geschil is dat op de bankrekeningen van appellante en van twee minderjarige inwonende kinderen kasstortingen en bijschrijvingen hebben plaatsgevonden. Ook is niet in geschil dat appellanten van die kasstortingen en bijschrijvingen geen melding hebben gemaakt bij het college en dat zij door de kasstortingen en bijschrijvingen niet te melden hun inlichtingenverplichting hebben geschonden.
Waar gaat het wel om?
4.3.
Het gaat wat de herziening, de intrekking en de terugvordering betreft in feite om de beantwoording van de vraag of de kasstortingen en bijschrijvingen als inkomen in aanmerking kunnen worden genomen. Appellanten hebben echter ook een grond aangevoerd die raakt aan de zorgvuldigheid van het onderzoek en aan de vraag of de bankafschriften over de gehele periode van een jaar aan de besluitvorming ten grondslag mogen worden gelegd. Wat de boete betreft gaat het in deze zaak om de vraag of appellanten verminderd verwijtbaar hebben gehandeld.
Onderzoek onzorgvuldig/onrechtmatig?
4.3.1.
Appellanten voeren aan dat het onderzoek onzorgvuldig is geweest omdat het college niet heeft gemotiveerd waarom over meer dan drie maanden bankafschriften zijn opgevraagd.
4.3.2.
Deze grond slaagt niet. Het college is bevoegd om onderzoek te doen naar de juistheid en volledigheid van verstrekte gegevens en naar andere gegevens die noodzakelijk zijn voor de verlening of de voortzetting van bijstand. Dat volgt uit artikel 53a van de PW. Deze algemene onderzoeksbevoegdheid kan uit eigen beweging worden uitgeoefend, dus ook zonder voorafgaand signaal of vermoeden. Dit is vaste rechtspraak. Het college is ook gerechtigd een gericht onderzoek te doen, indien op basis van concrete objectieve feiten en omstandigheden redelijkerwijs kan worden getwijfeld aan de juistheid en volledigheid van de door de betrokkene over zijn financiële situatie verstrekte inlichtingen en op basis daarvan twijfel bestaat over de rechtmatigheid van de verleende bijstand. In het kader van dat onderzoek kan het bijstandverlenend orgaan van de betrokkene zo nodig inzage verlangen in de bankafschriften over een verder in het verleden liggende periode dan de laatste drie maanden. Ook dit is vaste rechtspraak. In het geval van appellanten kon worden getwijfeld aan de juistheid en volledigheid van de door hen over hun financiële situatie verstrekte inlichtingen. Op de in eerste instantie over een periode van drie maanden verstrekte bankafschriften waren immers kasstortingen en bijschrijvingen van derden zichtbaar die zij niet hadden gemeld. Om die reden mocht het college over een langere periode dan drie maanden bankafschriften opvragen. Het college hoeft in de besluitvorming niet afzonderlijk te motiveren waarom hij dat gedaan heeft.
Is sprake van inkomen?
4.4.
Bedragen die contant zijn gestort en bedragen die zijn overgemaakt door derden naar een bankrekening van een bijstandontvanger worden in beginsel beschouwd als in aanmerking te nemen middelen in de zin van artikel 31, eerste lid, van de PW. Als deze betalingen een terugkerend of periodiek karakter hebben, door de betrokkene kunnen worden aangewend voor de algemeen noodzakelijke bestaanskosten en zien op een periode waarover een beroep op bijstand wordt gedaan, is ook sprake van inkomsten als bedoeld in artikel 32, eerste lid, van de PW. Dit is vaste rechtspraak.
4.4.1.
In het geval van appellanten gaat het over een periode van bijna een jaar waarin zij bijstand ontvingen en waarin bijna tachtig kasstortingen en bijschrijvingen hebben plaatsgevonden op de bankrekeningen van appellante en van twee tot het gezin behorende minderjarige kinderen. Appellanten worden geacht over de betreffende gelden te kunnen beschikken en die gelden dus ook te kunnen aanwenden voor hun algemeen noodzakelijke bestaanskosten. Appellanten kunnen echter aannemelijk maken dat zij niet vrijelijk over de gelden op de bankrekeningen konden beschikken en dat de kasstortingen en bijschrijvingen niet als inkomen in aanmerking moeten worden genomen. Zij zijn daarin niet geslaagd. Daarvoor is het volgende van belang.
4.4.2.
Appellanten hebben in algemene zin gesteld dat geen sprake is van bijverdiensten. De bijschrijvingen waren afkomstig van familieleden en waren bedoeld voor rijlessen en opleidingen. Ook ging het volgens appellanten om geringe bedragen.
4.4.3.
Appellanten hebben niet duidelijk gemaakt dat en waarom, in afwijking van de in 4.4 bedoelde vaste rechtspraak, voor welke kasstortingen en bijschrijvingen heeft te gelden dat van inkomen geen sprake is.
Conclusie
6. Deze uitspraak heeft als gevolg dat de herziening, de intrekking, de terugvordering en de boete ongewijzigd in stand blijven.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door P.W. van Straalen, in tegenwoordigheid van D. van der Boom als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 maart 2023.
(getekend) P.W. van Straalen
(getekend) D. van der Boom
Het college heeft dat gedaan in lijn met de uitspraak van 4 augustus 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:1525.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 14 april 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1231.
Uitspraak van 31 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV2333.
Uitspraak van 7 mei 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1450.
Uitspraak van 23 juni 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1807.
Inleiding
211525 PW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 31 maart 2021, 20/5952 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] (appellante) en [appellant] (appellant), beiden te [woonplaats]
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)
Datum uitspraak: 28 maart 2023
Procesverloop
Namens appellanten heeft mr. L. van Dinter, advocaat, hoger beroep ingesteld, waarna de zaak is overgenomen door mr. S. Ata, advocaat.
De Raad heeft partijen bij brief van 2 november 2022 (regiebrief) laten weten hoe de Raad het geschil voorshands ziet en welke vragen dat bij de Raad oproept. De Raad heeft appellante in de regiebrief verschillende mogelijkheden geboden wat betreft het verdere verloop van de procedure, waaronder de mogelijkheid haar standpunt nader te onderbouwen. Ook na een herinnering bij brief van 21 december 2022 heeft de Raad van appellanten geen reactie ontvangen.
De Raad heeft partijen vervolgens gewezen op hun recht om ter zitting te worden gehoord. Appellanten hebben niet binnen de hen gegeven termijn verklaard dat zij gebruik willen maken van dat recht. Het college heeft de Raad bericht dat de zaak zonder zitting kan worden afgedaan. Daarom heeft de Raad met toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft. Daarna heeft de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb gesloten.
Overwegingen
1. In deze zaak beoordeelt de Raad een besluit tot herziening, intrekking en terugvordering van bijstand en een aan appellanten opgelegde boete.
1.1.
Appellanten ontvingen bijstand op grond van de Participatiewet (PW). Het college heeft in het kader van een heronderzoek onder meer bankafschriften van appellanten en hun inwonende minderjarige kinderen opgevraagd. Dat ging over een periode van drie maanden voorafgaand aan 21 februari 2020. Omdat op de daarop ingeleverde bankafschriften kasstortingen en bijschrijvingen zichtbaar waren, heeft het college bankafschriften opgevraagd over een langere periode, de periode vanaf 1 februari 2019 tot en met 31 januari 2020. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 27 maart 2020.
1.2.
De onderzoeksbevindingen hebben geleid tot een aantal besluiten. Het college heeft bij besluit van 20 april 2020 de bijstand van appellanten herzien en teruggevorderd over de periode van 1 februari 2019 tot en met 31 januari 2020. De terugvordering bedraagt € 5.528,55. Het college heeft de terugvordering over 2019 gebruteerd bij besluit van 26 mei 2020. De totale terugvordering bedraagt na brutering € 7.893,43. Tot slot heeft het college appellanten bij besluit van 26 juni 2020 een boete opgelegd van € 1.800,-.
1.3.
Bij besluit op bezwaar van 2 november 2020 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren van appellanten tegen de in 1.2 genoemde besluiten deels gegrond verklaard. Het college heeft de boete vastgesteld op € 900,- en het college heeft de bijstand over de maand september 2019 ingetrokken, zodat over die maand niet langer sprake is van een herziening. Voor het overige is de eerdere besluitvorming in stand gebleven.
1.4.
Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat appellanten de inlichtingenverplichting hebben geschonden door geen melding te maken van bijschrijvingen en kasstortingen op de bankrekeningen van appellante en van twee minderjarige kinderen. Het college heeft een deel van de bijschrijvingen en kasstortingen in aanmerking genomen als inkomen. Het college is bij de boete uitgegaan van normale verwijtbaarheid en heeft bij de draagkracht rekening gehouden met een beslagvrije voet van 95% van de toepasselijke bijstandsnorm.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellanten tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellanten hebben zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen deze uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd. Daarvoor is het volgende van belang.
Wat niet in geschil is
4.2.
Niet in geschil is dat op de bankrekeningen van appellante en van twee minderjarige inwonende kinderen kasstortingen en bijschrijvingen hebben plaatsgevonden. Ook is niet in geschil dat appellanten van die kasstortingen en bijschrijvingen geen melding hebben gemaakt bij het college en dat zij door de kasstortingen en bijschrijvingen niet te melden hun inlichtingenverplichting hebben geschonden.
Waar gaat het wel om?
4.3.
Het gaat wat de herziening, de intrekking en de terugvordering betreft in feite om de beantwoording van de vraag of de kasstortingen en bijschrijvingen als inkomen in aanmerking kunnen worden genomen. Appellanten hebben echter ook een grond aangevoerd die raakt aan de zorgvuldigheid van het onderzoek en aan de vraag of de bankafschriften over de gehele periode van een jaar aan de besluitvorming ten grondslag mogen worden gelegd. Wat de boete betreft gaat het in deze zaak om de vraag of appellanten verminderd verwijtbaar hebben gehandeld.
Onderzoek onzorgvuldig/onrechtmatig?
4.3.1.
Appellanten voeren aan dat het onderzoek onzorgvuldig is geweest omdat het college niet heeft gemotiveerd waarom over meer dan drie maanden bankafschriften zijn opgevraagd.
4.3.2.
Deze grond slaagt niet. Het college is bevoegd om onderzoek te doen naar de juistheid en volledigheid van verstrekte gegevens en naar andere gegevens die noodzakelijk zijn voor de verlening of de voortzetting van bijstand. Dat volgt uit artikel 53a van de PW. Deze algemene onderzoeksbevoegdheid kan uit eigen beweging worden uitgeoefend, dus ook zonder voorafgaand signaal of vermoeden. Dit is vaste rechtspraak. Het college is ook gerechtigd een gericht onderzoek te doen, indien op basis van concrete objectieve feiten en omstandigheden redelijkerwijs kan worden getwijfeld aan de juistheid en volledigheid van de door de betrokkene over zijn financiële situatie verstrekte inlichtingen en op basis daarvan twijfel bestaat over de rechtmatigheid van de verleende bijstand. In het kader van dat onderzoek kan het bijstandverlenend orgaan van de betrokkene zo nodig inzage verlangen in de bankafschriften over een verder in het verleden liggende periode dan de laatste drie maanden. Ook dit is vaste rechtspraak. In het geval van appellanten kon worden getwijfeld aan de juistheid en volledigheid van de door hen over hun financiële situatie verstrekte inlichtingen. Op de in eerste instantie over een periode van drie maanden verstrekte bankafschriften waren immers kasstortingen en bijschrijvingen van derden zichtbaar die zij niet hadden gemeld. Om die reden mocht het college over een langere periode dan drie maanden bankafschriften opvragen. Het college hoeft in de besluitvorming niet afzonderlijk te motiveren waarom hij dat gedaan heeft.
Is sprake van inkomen?
4.4.
Bedragen die contant zijn gestort en bedragen die zijn overgemaakt door derden naar een bankrekening van een bijstandontvanger worden in beginsel beschouwd als in aanmerking te nemen middelen in de zin van artikel 31, eerste lid, van de PW. Als deze betalingen een terugkerend of periodiek karakter hebben, door de betrokkene kunnen worden aangewend voor de algemeen noodzakelijke bestaanskosten en zien op een periode waarover een beroep op bijstand wordt gedaan, is ook sprake van inkomsten als bedoeld in artikel 32, eerste lid, van de PW. Dit is vaste rechtspraak.
4.4.1.
In het geval van appellanten gaat het over een periode van bijna een jaar waarin zij bijstand ontvingen en waarin bijna tachtig kasstortingen en bijschrijvingen hebben plaatsgevonden op de bankrekeningen van appellante en van twee tot het gezin behorende minderjarige kinderen. Appellanten worden geacht over de betreffende gelden te kunnen beschikken en die gelden dus ook te kunnen aanwenden voor hun algemeen noodzakelijke bestaanskosten. Appellanten kunnen echter aannemelijk maken dat zij niet vrijelijk over de gelden op de bankrekeningen konden beschikken en dat de kasstortingen en bijschrijvingen niet als inkomen in aanmerking moeten worden genomen. Zij zijn daarin niet geslaagd. Daarvoor is het volgende van belang.
4.4.2.
Appellanten hebben in algemene zin gesteld dat geen sprake is van bijverdiensten. De bijschrijvingen waren afkomstig van familieleden en waren bedoeld voor rijlessen en opleidingen. Ook ging het volgens appellanten om geringe bedragen.
4.4.3.
Appellanten hebben niet duidelijk gemaakt dat en waarom, in afwijking van de in 4.4 bedoelde vaste rechtspraak, voor welke kasstortingen en bijschrijvingen heeft te gelden dat van inkomen geen sprake is.
Conclusie
6. Deze uitspraak heeft als gevolg dat de herziening, de intrekking, de terugvordering en de boete ongewijzigd in stand blijven.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door P.W. van Straalen, in tegenwoordigheid van D. van der Boom als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 maart 2023.
(getekend) P.W. van Straalen
(getekend) D. van der Boom
Het college heeft dat gedaan in lijn met de uitspraak van 4 augustus 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:1525.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 14 april 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1231.
Uitspraak van 31 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV2333.
Uitspraak van 7 mei 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1450.
Uitspraak van 23 juni 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1807.