Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2023-01-11
ECLI:NL:CRVB:2023:48
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
4,656 tokens
Inleiding
203474 WAJONG
Datum uitspraak: 11 januari 2023
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 11 september 2020, 19/6131 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Procesverloop
Namens appellante heeft mr. A.J.M. Vélu, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en een rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep overgelegd.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 november 2022. Appellante en mr. Vélu zijn niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. J.C. van Beek.
Overwegingen
1.1.
Aan appellante, geboren op 2 november 1993, is per 31 mei 2014 een uitkering op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wajong 2010) toegekend. Bij appellante is in juli 2013 de diagnose Multiple Sclerose (MS) vastgesteld. Appellante heeft pijnklachten en chronische vermoeidheid door de MS. Daarnaast heeft appellante een lichte verstandelijke beperking en een angststoornis.
1.2.
Met ingang van 1 januari 2015 is de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong 2015) in werking getreden. Het Uwv heeft uit eigen beweging beoordeeld of appellante per 1 januari 2018 als volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is aan te merken. In dat geval zou appellante recht hebben op de zogeheten uitkering volledig en duurzaam arbeidsongeschikten en zou appellante per 1 januari 2018 recht blijven houden op een Wajong-uitkering naar 75% van de grondslag. Bij besluit van 3 april 2017 heeft het Uwv vastgesteld dat appellante arbeidsvermogen heeft, als gevolg waarvan de Wajonguitkering met ingang van 1 januari 2018 wordt verlaagd van 75% naar 70% van het minimumloon. Dit besluit is in rechte onaantastbaar geworden omdat appellante hiertegen geen bezwaar heeft gemaakt.
1.3.
Appellante heeft met een door het Uwv op 7 november 2018 ontvangen formulier gemeld dat haar gezondheidssituatie is verslechterd. Appellante heeft toegelicht dat haar MS erger is geworden, appellante is chronisch vermoeid. Appellante heeft geprobeerd te werken maar zelfs twee uur per week werken bleek te zwaar te zijn. Het Uwv heeft vervolgens een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek verricht. De verzekeringsarts heeft geconcludeerd dat appellante ten minste vier uur per dag belastbaar is en dat zij tenminste een uur aaneengesloten kan werken. Appellante is aangewezen op fysiek lichte arbeid. De arbeidsdeskundige heeft geconcludeerd dat appellante beschikt over basale werknemersvaardigheden en dat zij een taak in een arbeidsorganisatie kan verrichten. De arbeidsdeskundige heeft de taak ‘scannen’ (taaknummer 1502) geselecteerd. Bij besluit van 12 april 2019 heeft het Uwv vastgesteld dat appellante arbeidsvermogen heeft en dat de hoogte van haar Wajong-uitkering ongewijzigd blijft. Appellante heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
1.4.
Bij besluit van 7 november 2019 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 12 april 2019 ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest en dat er geen aanleiding is voor twijfel aan het medisch oordeel van het Uwv. Niet gebleken is dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep een onvolledig beeld heeft gehad van de medische situatie van appellante. Er is rekening gehouden met de MS en de daardoor veroorzaakte klachten, waarbij is vastgesteld dat deze ziekte zich volgens de neuroloog momenteel in een rustig stadium bevindt. Ook is rekening gehouden met de angststoornis van appellante. Verder heeft het Uwv naar het oordeel van de rechtbank voldoende gemotiveerd dat appellante over basale werknemersvaardigheden beschikt en een taak kan uitvoeren in een arbeidsorganisatie.
3.1.
Appellante heeft in hoger beroep de in beroep aangevoerde gronden in essentie herhaald. Deze komen erop neer dat appellante betwist dat zij over arbeidsvermogen beschikt. Door de MS heeft appellante heftige rugpijnen en is zij chronisch vermoeid. Appellante acht zich niet in staat gedurende tenminste een uur aaneengesloten te werken en zij is niet vier uur per dag belastbaar. Ook beschikt appellante niet over basale werknemersvaardigheden en kan zij geen taak uitvoeren in een arbeidsorganisatie. In maart 2020 zijn er bij appellante nieuwe ontstekingshaarden geconstateerd door de behandelend neuroloog. Op termijn zal de MS tot steeds meer beperkingen gaan leiden. Ter onderbouwing van haar standpunt dat het Uwv haar belastbaarheid heeft overschat, heeft appellante in beroep een brief van 8 mei 2020 en in hoger beroep brieven van 4 mei 2021, 10 februari 2022 en 10 maart 2022 van haar behandelend neuroloog overgelegd.
3.2.
Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen. Het Uwv heeft rapporten van 7 oktober 2021 en 15 juni 2022 van een verzekeringsarts bezwaar en beroep overgelegd. Hierin heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep gemotiveerd dat de door appellante in beroep en in hoger beroep overgelegde brieven van de neuroloog tot de conclusie leiden dat appellante vanaf 3 maart 2020 duurzaam geen arbeidsvermogen meer heeft. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep geeft de informatie van de neuroloog geen aanleiding voor een ander standpunt over de belastbaarheid van appellante voorafgaand aan deze datum.
4. De Raad oordeelt als volgt.
4.1.
Appellante ontvangt inkomensondersteuning op grond van artikel 2:40 van de Wajong, zoals dit artikel sinds 1 januari 2015 geldt, de zogeheten werkregeling. Als gevolg van een wijziging van artikel 2:40 van de Wajong is de hoogte van de inkomensondersteuning voor alle jonggehandicapten in de werkregeling per 1 januari 2018 verlaagd van 75% naar 70% van de grondslag. Een jonggehandicapte die als volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is aan te merken in de zin van artikel 2:45 van de Wajong heeft recht op een Wajong-uitkering naar 75% van de grondslag, de zogeheten uitkering volledig en duurzaam arbeidsongeschikten.
4.2.1.
Volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is ingevolge artikel 2:4, eerste lid, van de Wajong 2015 de jonggehandicapte die duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie (arbeidsvermogen) heeft. Onder duurzaam wordt ingevolge het tweede lid verstaan de situatie waarin de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich niet kunnen ontwikkelen. Uit de uitspraak van de Raad van 31 december 2020 (ECLI:NL:CRVB:2020:3482) volgt dat het begrip ‘volledig en duurzaam arbeidsongeschikt’ in hoofdstuk 2 van de Wajong na 1 januari 2015 gelijk is aan het begrip ‘duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie’ in artikel 1a van het Schattingsbesluit en hoofdstuk 1a van de Wajong.
4.2.2.
Op grond van artikel 1a, eerste lid, van het Schattingsbesluit heeft de betrokkene geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie (arbeidsvermogen) als hij (a) geen taak kan uitvoeren in een arbeidsorganisatie, (b) niet over basale werknemersvaardigheden beschikt, (c) niet aaneengesloten kan werken gedurende ten minste een periode van één uur, of (d) niet ten minste vier uur per dag belastbaar is. Het Uwv moet dus beoordelen of bij een betrokkene sprake is van (ten minste) een van deze vier genoemde voorwaarden. Is dat het geval, dan heeft de betrokkene geen arbeidsvermogen. Voor een meer algemene beschrijving van het beoordelingskader wordt verwezen naar de uitspraken van de Raad van 5 april 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1018 en 16 januari 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:286.
4.3.
In geschil is of het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellante per 7 november 2018 arbeidsvermogen heeft.
4.4.1.
Appellante heeft in hoger beroep de in beroep aangevoerde gronden herhaald. De rechtbank heeft deze beroepsgronden afdoende besproken en heeft overtuigend gemotiveerd waarom deze niet slagen. Het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen worden onderschreven. Hieraan wordt het volgende toegevoegd.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door S.B. Smit-Colenbrander, in tegenwoordigheid van E.X.R. Yi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 januari 2023.
(getekend) S.B. Smit-Colenbrander
(getekend) E.X.R. Yi
Inleiding
203474 WAJONG
Datum uitspraak: 11 januari 2023
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 11 september 2020, 19/6131 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Procesverloop
Namens appellante heeft mr. A.J.M. Vélu, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en een rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep overgelegd.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 november 2022. Appellante en mr. Vélu zijn niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. J.C. van Beek.
Overwegingen
1.1.
Aan appellante, geboren op 2 november 1993, is per 31 mei 2014 een uitkering op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wajong 2010) toegekend. Bij appellante is in juli 2013 de diagnose Multiple Sclerose (MS) vastgesteld. Appellante heeft pijnklachten en chronische vermoeidheid door de MS. Daarnaast heeft appellante een lichte verstandelijke beperking en een angststoornis.
1.2.
Met ingang van 1 januari 2015 is de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong 2015) in werking getreden. Het Uwv heeft uit eigen beweging beoordeeld of appellante per 1 januari 2018 als volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is aan te merken. In dat geval zou appellante recht hebben op de zogeheten uitkering volledig en duurzaam arbeidsongeschikten en zou appellante per 1 januari 2018 recht blijven houden op een Wajong-uitkering naar 75% van de grondslag. Bij besluit van 3 april 2017 heeft het Uwv vastgesteld dat appellante arbeidsvermogen heeft, als gevolg waarvan de Wajonguitkering met ingang van 1 januari 2018 wordt verlaagd van 75% naar 70% van het minimumloon. Dit besluit is in rechte onaantastbaar geworden omdat appellante hiertegen geen bezwaar heeft gemaakt.
1.3.
Appellante heeft met een door het Uwv op 7 november 2018 ontvangen formulier gemeld dat haar gezondheidssituatie is verslechterd. Appellante heeft toegelicht dat haar MS erger is geworden, appellante is chronisch vermoeid. Appellante heeft geprobeerd te werken maar zelfs twee uur per week werken bleek te zwaar te zijn. Het Uwv heeft vervolgens een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek verricht. De verzekeringsarts heeft geconcludeerd dat appellante ten minste vier uur per dag belastbaar is en dat zij tenminste een uur aaneengesloten kan werken. Appellante is aangewezen op fysiek lichte arbeid. De arbeidsdeskundige heeft geconcludeerd dat appellante beschikt over basale werknemersvaardigheden en dat zij een taak in een arbeidsorganisatie kan verrichten. De arbeidsdeskundige heeft de taak ‘scannen’ (taaknummer 1502) geselecteerd. Bij besluit van 12 april 2019 heeft het Uwv vastgesteld dat appellante arbeidsvermogen heeft en dat de hoogte van haar Wajong-uitkering ongewijzigd blijft. Appellante heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
1.4.
Bij besluit van 7 november 2019 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 12 april 2019 ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest en dat er geen aanleiding is voor twijfel aan het medisch oordeel van het Uwv. Niet gebleken is dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep een onvolledig beeld heeft gehad van de medische situatie van appellante. Er is rekening gehouden met de MS en de daardoor veroorzaakte klachten, waarbij is vastgesteld dat deze ziekte zich volgens de neuroloog momenteel in een rustig stadium bevindt. Ook is rekening gehouden met de angststoornis van appellante. Verder heeft het Uwv naar het oordeel van de rechtbank voldoende gemotiveerd dat appellante over basale werknemersvaardigheden beschikt en een taak kan uitvoeren in een arbeidsorganisatie.
3.1.
Appellante heeft in hoger beroep de in beroep aangevoerde gronden in essentie herhaald. Deze komen erop neer dat appellante betwist dat zij over arbeidsvermogen beschikt. Door de MS heeft appellante heftige rugpijnen en is zij chronisch vermoeid. Appellante acht zich niet in staat gedurende tenminste een uur aaneengesloten te werken en zij is niet vier uur per dag belastbaar. Ook beschikt appellante niet over basale werknemersvaardigheden en kan zij geen taak uitvoeren in een arbeidsorganisatie. In maart 2020 zijn er bij appellante nieuwe ontstekingshaarden geconstateerd door de behandelend neuroloog. Op termijn zal de MS tot steeds meer beperkingen gaan leiden. Ter onderbouwing van haar standpunt dat het Uwv haar belastbaarheid heeft overschat, heeft appellante in beroep een brief van 8 mei 2020 en in hoger beroep brieven van 4 mei 2021, 10 februari 2022 en 10 maart 2022 van haar behandelend neuroloog overgelegd.
3.2.
Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen. Het Uwv heeft rapporten van 7 oktober 2021 en 15 juni 2022 van een verzekeringsarts bezwaar en beroep overgelegd. Hierin heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep gemotiveerd dat de door appellante in beroep en in hoger beroep overgelegde brieven van de neuroloog tot de conclusie leiden dat appellante vanaf 3 maart 2020 duurzaam geen arbeidsvermogen meer heeft. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep geeft de informatie van de neuroloog geen aanleiding voor een ander standpunt over de belastbaarheid van appellante voorafgaand aan deze datum.
4. De Raad oordeelt als volgt.
4.1.
Appellante ontvangt inkomensondersteuning op grond van artikel 2:40 van de Wajong, zoals dit artikel sinds 1 januari 2015 geldt, de zogeheten werkregeling. Als gevolg van een wijziging van artikel 2:40 van de Wajong is de hoogte van de inkomensondersteuning voor alle jonggehandicapten in de werkregeling per 1 januari 2018 verlaagd van 75% naar 70% van de grondslag. Een jonggehandicapte die als volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is aan te merken in de zin van artikel 2:45 van de Wajong heeft recht op een Wajong-uitkering naar 75% van de grondslag, de zogeheten uitkering volledig en duurzaam arbeidsongeschikten.
4.2.1.
Volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is ingevolge artikel 2:4, eerste lid, van de Wajong 2015 de jonggehandicapte die duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie (arbeidsvermogen) heeft. Onder duurzaam wordt ingevolge het tweede lid verstaan de situatie waarin de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich niet kunnen ontwikkelen. Uit de uitspraak van de Raad van 31 december 2020 (ECLI:NL:CRVB:2020:3482) volgt dat het begrip ‘volledig en duurzaam arbeidsongeschikt’ in hoofdstuk 2 van de Wajong na 1 januari 2015 gelijk is aan het begrip ‘duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie’ in artikel 1a van het Schattingsbesluit en hoofdstuk 1a van de Wajong.
4.2.2.
Op grond van artikel 1a, eerste lid, van het Schattingsbesluit heeft de betrokkene geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie (arbeidsvermogen) als hij (a) geen taak kan uitvoeren in een arbeidsorganisatie, (b) niet over basale werknemersvaardigheden beschikt, (c) niet aaneengesloten kan werken gedurende ten minste een periode van één uur, of (d) niet ten minste vier uur per dag belastbaar is. Het Uwv moet dus beoordelen of bij een betrokkene sprake is van (ten minste) een van deze vier genoemde voorwaarden. Is dat het geval, dan heeft de betrokkene geen arbeidsvermogen. Voor een meer algemene beschrijving van het beoordelingskader wordt verwezen naar de uitspraken van de Raad van 5 april 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1018 en 16 januari 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:286.
4.3.
In geschil is of het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellante per 7 november 2018 arbeidsvermogen heeft.
4.4.1.
Appellante heeft in hoger beroep de in beroep aangevoerde gronden herhaald. De rechtbank heeft deze beroepsgronden afdoende besproken en heeft overtuigend gemotiveerd waarom deze niet slagen. Het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen worden onderschreven. Hieraan wordt het volgende toegevoegd.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door S.B. Smit-Colenbrander, in tegenwoordigheid van E.X.R. Yi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 januari 2023.
(getekend) S.B. Smit-Colenbrander
(getekend) E.X.R. Yi