Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2023-03-07
ECLI:NL:CRVB:2023:457
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
1,862 tokens
Inleiding
212281 PW-PV
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 10 juni 2021, 21/625 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant 1] en [appellant 2] te [woonplaats] (appellanten)
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)
Datum uitspraak: 7 maart 2023
Zitting heeft: K.M.P. Jacobs
Griffier: E.P.J.M. Claerhoudt
Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. M. el Idrissi. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Zonneveld.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
Het college heeft appellanten bijstand toegekend met ingang van de datum van melding, te weten 18 september 2020. Het college heeft geweigerd bijstand met terugwerkende kracht te verlenen per 1 januari 2010.
Appellanten voeren aan dat bijzondere omstandigheden rechtvaardigen dat bijstand met terugwerkende kracht wordt toegekend. Zij hebben daartoe, evenals in beroep, gesteld dat uit de toekenning van een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering blijkt dat appellant medische klachten heeft, dat hij de Nederlandse taal niet machtig is en bij gebreke van begeleiding er nooit op gewezen is dat hij recht heeft op aanvullende bijstand.
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat van bijzondere omstandigheden geen sprake is. Het lag op de weg van appellanten om die omstandigheden aannemelijk te maken. Dat hebben zij volgens de rechtbank niet gedaan. De aard en ernst van de psychische klachten zijn niet onderbouwd, bijvoorbeeld met medische stukken. Voorts is niet onderbouwd dat appellanten niet eerder een aanvraag hadden kunnen indienen of dat zij geen hulp hebben kunnen inroepen. Verder is volgens de rechtbank niet gebleken dat de door appellanten gestelde beperkte taalbeheersing ertoe heeft geleid dat zij niet in staat waren eerder een aanvraag in te dienen. De rechtbank verwijst daartoe naar de uitspraak van 21 maart 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1121. Ten slotte is volgens de rechtbank het verkeren in bijstandbehoevende omstandigheden geen bijzondere omstandigheid op grond waarvan bijstandverlening met terugwerkende kracht gerechtvaardigd is. De rechtbank verwijst daartoe naar vaste rechtspraak, bijvoorbeeld de uitspraak van 10 november 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:2835.
De Raad kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de overwegingen waarop dat oordeel rust. De Raad voegt daar nog aan toe dat volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 15 oktober 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:2051) ook onbekendheid met wettelijke regelgeving of een gebrek aan voorlichting van de zijde van het college niet leidt tot een bijzondere omstandigheid op grond waarvan afwijking van het uitgangspunt dat geen bijstand met terugwerkende kracht wordt verleend, te rechtvaardigen is.
Het hoger beroep slaagt dus niet.
Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
(getekend) E.P.J.M. Claerhoudt (getekend) K.M.P. Jacobs
Inleiding
212281 PW-PV
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 10 juni 2021, 21/625 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant 1] en [appellant 2] te [woonplaats] (appellanten)
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)
Datum uitspraak: 7 maart 2023
Zitting heeft: K.M.P. Jacobs
Griffier: E.P.J.M. Claerhoudt
Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. M. el Idrissi. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Zonneveld.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
Het college heeft appellanten bijstand toegekend met ingang van de datum van melding, te weten 18 september 2020. Het college heeft geweigerd bijstand met terugwerkende kracht te verlenen per 1 januari 2010.
Appellanten voeren aan dat bijzondere omstandigheden rechtvaardigen dat bijstand met terugwerkende kracht wordt toegekend. Zij hebben daartoe, evenals in beroep, gesteld dat uit de toekenning van een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering blijkt dat appellant medische klachten heeft, dat hij de Nederlandse taal niet machtig is en bij gebreke van begeleiding er nooit op gewezen is dat hij recht heeft op aanvullende bijstand.
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat van bijzondere omstandigheden geen sprake is. Het lag op de weg van appellanten om die omstandigheden aannemelijk te maken. Dat hebben zij volgens de rechtbank niet gedaan. De aard en ernst van de psychische klachten zijn niet onderbouwd, bijvoorbeeld met medische stukken. Voorts is niet onderbouwd dat appellanten niet eerder een aanvraag hadden kunnen indienen of dat zij geen hulp hebben kunnen inroepen. Verder is volgens de rechtbank niet gebleken dat de door appellanten gestelde beperkte taalbeheersing ertoe heeft geleid dat zij niet in staat waren eerder een aanvraag in te dienen. De rechtbank verwijst daartoe naar de uitspraak van 21 maart 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1121. Ten slotte is volgens de rechtbank het verkeren in bijstandbehoevende omstandigheden geen bijzondere omstandigheid op grond waarvan bijstandverlening met terugwerkende kracht gerechtvaardigd is. De rechtbank verwijst daartoe naar vaste rechtspraak, bijvoorbeeld de uitspraak van 10 november 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:2835.
De Raad kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de overwegingen waarop dat oordeel rust. De Raad voegt daar nog aan toe dat volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 15 oktober 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:2051) ook onbekendheid met wettelijke regelgeving of een gebrek aan voorlichting van de zijde van het college niet leidt tot een bijzondere omstandigheid op grond waarvan afwijking van het uitgangspunt dat geen bijstand met terugwerkende kracht wordt verleend, te rechtvaardigen is.
Het hoger beroep slaagt dus niet.
Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
(getekend) E.P.J.M. Claerhoudt (getekend) K.M.P. Jacobs