Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2023-12-27
ECLI:NL:CRVB:2023:2523
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
2,169 tokens
Inleiding
22/3871 ZW
Datum uitspraak: 27 december 2023
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 27 oktober 2022, 22/854 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht het bezwaar van appellante tegen het besluit van 25 november 2021 niet-ontvankelijk heeft verklaard. Volgens appellante is sprake van een verschoonbare termijnoverschrijding. De Raad komt tot het oordeel dat het Uwv het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard.
Procesverloop
Namens appellante heeft mr. W.Th.G. Hegge, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 15 november 2023. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Hegge en vergezeld door haar echtgenoot A.L.W.M. van Herk. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door en mr. J.W. van Schaik.
Overwegingen
Inleiding
1.1.
Bij besluit van 25 november 2021 heeft het Uwv de uitkering van appellante op grond van de Ziektewet (ZW) per 22 november 2021 beëindigd. Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar ingesteld. Het bezwaarschrift is op 23 december 2021 door het Uwv ontvangen. Het Uwv heeft bij beslissing op bezwaar van 24 februari 2022 (bestreden besluit) het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard wegens een niet-verschoonbare overschrijding van de bezwaartermijn.
1.2.
Het Uwv heeft op 25 november 2021 tevens een besluit genomen waarin is vastgesteld dat het recht op een ZW-uitkering eindigt na 104 weken ziekteverzuim, waardoor de ZW-uitkering van appellante tot en met 15 december 2021 door het Uwv wordt uitbetaald.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank is het bezwaar van appellante terecht niet-ontvankelijk verklaard. Hoewel het bezwaarschrift van appellante is gedateerd op 6 december 2021, is het bezwaar door het Uwv pas op 23 december 2021 ontvangen. Dat is meer dan één week na het einde van de bezwaartermijn. De rechtbank heeft geoordeeld dat geen sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. De rechtbank begrijpt dat de tweede brief van 25 november 2021 verwarrend kon zijn geweest, maar is van oordeel dat het op de weg van appellante had gelegen hier een nadere toelichting over te vragen. De rechtbank heeft ook het beroep van appellante op de menselijke maat niet laten slagen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv voldoende rekening gehouden met de belangen van appellante. Van een schrijnende situatie, zoals appellante ter zitting heeft betoogd, is de rechtbank niet gebleken. Met het beëindigen van de ZW-uitkering van appellante is nog geen definitief besluit genomen over haar rechten op een WIA-uitkering, de procedure hierover loopt nog.
Het hoger beroep van appellante
3.1.Appellante is het met die uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellante stelt dat sprake is van een verschoonbare overschrijding van de bezwaartermijn, dan wel dat het bezwaar in verband met de toepassing van de menselijke maat in behandeling dient te worden genomen.
3.2.
Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.
Beoordeling
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Op grond van artikel 75k van de ZW bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift, in afwijking van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), in een geschil van geneeskundige aard over het al dan niet bestaan of voortbestaan van ongeschiktheid tot werken twee weken. Op grond van de artikelen 6:8 en 6:9 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geldt dat de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift ingaat met ingang van de dag na die waarop de aangevallen uitspraak door middel van de toezending van een afschrift aan partijen is bekendgemaakt. Een beroepschrift is tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. Bij verzending per post is een beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.
4.2.
Op grond van artikel 6:11 van de Awb blijft niet-ontvankelijkverklaring op grond van termijnoverschrijding achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
4.3.
Het Uwv heeft het besluit van 25 november 2021 bekend gemaakt door toezending per post. Dit betekent dat de bezwaartermijn is aangevangen op 26 november 2021 en is geëindigd op 9 december 2021. Het bezwaarschrift is volgens de afstempeling in de interne organisatie van het Uwv op 23 december 2021 door het Uwv ontvangen. Dit is méér dan een week na afloop van de bezwaartermijn. Daarmee is het bezwaar niet tijdig ingediend. Het is daarom de vraag of de overschrijding van de bezwaartermijn verschoonbaar is.
4.4.
Anders dan de rechtbank beantwoordt de Raad die vraag bevestigend. Dat appellante het bezwaarschrift per post heeft verzonden staat niet ter discussie. Appellante heeft verder aannemelijk gemaakt dat zij het bezwaarschrift voor het einde van de bezwaartermijn, op 6 december 2021, ter post heeft bezorgd. Appellante en haar echtgenoot hebben hierover consistent en gedetailleerd verklaard. Daar staat tegenover dat het Uwv de envelop waarin het bezwaarschrift is verzonden, niet heeft bewaard, waardoor de datum van het poststempel en daarmee de aanbieding te post niet kan worden vastgesteld. Vertraging in de postbezorging in de drukke decembermaand is niet ongebruikelijk terwijl daarnaast ten tijde van verzending ook in verband met de coronapandemie extra drukte werd ondervonden bij de postdienst. Deze omstandigheden, waarop appellante geen invloed kan uitoefenen, mogen niet ten nadele van haar strekken.
4.5.
Het standpunt van appellante dat het Uwv, gelet op het andere besluit van 25 november 2021, de ZW-uitkering tot 15 december 2021 dient uit te betalen, valt buiten de omvang van het onderhavige geding nu appellante daar – om begrijpelijke redenen – geen bezwaar tegen heeft gemaakt. De Raad kan daarom hierover in deze procedure geen oordeel geven. Wel wordt erop gewezen dat het Uwv ter zitting heeft erkend dat bij de beëindiging van deZW-uitkering van appellante een uitlooptermijn in acht had moeten worden genomen.
Conclusie
5. Het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak wordt vernietigd. Ook het bestreden besluit wordt vernietigd. Het Uwv dient, met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen, opnieuw te beslissen op het bezwaar van appellante.
6. Het Uwv wordt veroordeeld tot vergoeding van de kosten van appellante in bezwaar, beroep en in hoger beroep. De kosten van rechtsbijstand bedragen € 597,- in bezwaar (1 punt), € 1.674,- in beroep (2 punten) en € 1.674,- in hoger beroep (2 punten). Totaal € 3.945,-. De reiskosten in hoger beroep ter hoogte van € 21,20 komen ook voor vergoeding in aanmerking. Appellante krijgt ook het door haar in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht vergoed.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep
- vernietigt de aangevallen uitspraak;
- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 25 november 2021;
- draagt het Uwv op een nieuwe beslissing op het bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van in totaal € 3.945,-;
- veroordeelt het Uwv in de reiskosten van appellante tot een bedrag van € 21,20;
- bepaalt dat van het Uwv het door appellante in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 186,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier, in tegenwoordigheid van E.X.R. Yi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 december 2023.
(getekend) H.G. Rottier
(getekend) E.X.R. Yi