Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2023-12-21
ECLI:NL:CRVB:2023:2453
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
969 tokens
Inleiding
Datum uitspraak: 21 december 2023
22/3697 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 9 november 2022, 22/329 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Procesverloop
Namens appellante heeft mr. M. Gümüs, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft op 29 maart 2023 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen.
Bij brief van 25 april 2023 heeft mr. Gümüs namens appellante het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten.
Het Uwv heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid een verweerschrift in te dienen.
Onder toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Bij beslissing op bezwaar van 29 december 2021 heeft het Uwv vastgesteld dat appellante met ingang van 3 september 2021 geen recht meer heeft op een uitkering ingevolge de ZW. Bij gewijzigde beslissing op bezwaar van 29 maart 2023 heeft het Uwv vastgesteld dat appellante vanaf 3 september 2021 alsnog doorlopend recht heeft op een uitkering op grond van de ZW tot de maximale uitkeringsduur is bereikt. Hiermee is volledig aan de bezwaren van appellante tegemoetgekomen. Namens appellante is gelijktijdig met het bericht van intrekking van het hoger beroep verzocht om het Uwv te veroordelen tot vergoeding van proceskosten in bezwaar, beroep en in hoger beroep en vergoeding van griffierecht.
Het Uwv wordt veroordeeld in de kosten die appellante in verband met de behandeling van het bezwaar, beroep en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De proceskosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 1.194,- in bezwaar (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift en 1 punt voor het bijwonen van de hoorzitting met een waarde per punt van € 597,-), € 1.674,- in beroep (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting) en € 837,- in hoger beroep (1 punt voor het indienen van het hoger beroepschrift), met een waarde per punt van € 837,-. In totaal dient dus € 3.705,- te worden vergoed.
Verder dient het Uwv het door appellante in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep
- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 3.705,-;
- bepaalt dat het Uwv het door appellante in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 186,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door E.J.J.M. Weyers, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 december 2023.
(getekend) E.J.J.M. Weyers
(getekend) M.D.F. de Moor