Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2023-12-21
ECLI:NL:CRVB:2023:2448
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
2,635 tokens
Inleiding
19/4154 WIA
Datum uitspraak: 21 december 2023
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 15 augustus 2019, 18/7966 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Procesverloop
Namens appellant heeft mr. E. Akdeniz, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft door middel van videobellen plaatsgevonden op 13 januari 2021. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Akdeniz. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. M.P.W.M. Wiertz. De zaak is gevoegd behandeld met de zaak 19/4153 ZW. Na de zitting zijn de zaken weer gesplitst. In elke zaak wordt afzonderlijk uitspraak gedaan.
Het onderzoek ter zitting is geschorst om het Uwv in de gelegenheid te stellen vragen van de Raad te beantwoorden.
Het Uwv heeft met rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 9 september 2021 en van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 21 september 2021 de vragen van de Raad beantwoord. Hierop is namens appellant bij brief van 6 juni 2022 gereageerd.
Onder toepassing van artikel 8:64, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een nader onderzoek ter zitting achterwege gebleven, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten.
Overwegingen
1.1.
Appellant is laatstelijk via een uitzendbureau werkzaam geweest als machine-operator voor 42,13 uur per week. Met ingang van 14 januari 2016 heeft appellant zich ziekgemeld met lichamelijke en psychische klachten als gevolg van een bedrijfsongeval. Het Uwv heeft appellant in aanmerking gebracht voor ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW).
1.2.
In het kader van een aanvraag op grond van de Wet werk en inkomen naar
arbeidsvermogen (Wet WIA) heeft appellant het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft vastgesteld dat appellant niet meer geschikt is voor het laatstelijk verrichte werk, maar appellant wel belastbaar geacht met inachtneming van de beperkingen die hij heeft neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 27 maart 2018. Een arbeidsdeskundige heeft vervolgens functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen berekend dat appellant nog 70,88% van zijn maatmaninkomen kan verdienen. Bij besluit van 28 maart 2018 heeft het Uwv geweigerd aan appellant met ingang van 31 januari 2018 een WIA-uitkering toe te kennen, omdat hij met ingang van die datum minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 9 oktober 2018 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het medisch onderzoek op voldoende zorgvuldige wijze plaatsgevonden. Volgens de rechtbank is uit de rapporten van de verzekeringsartsen gebleken dat zij op de hoogte waren van de door appellant gestelde klachten, waaronder klachten aan de rechterarm en -hand en psychische klachten. De rechtbank heeft overwogen dat appellant met de door hem overgelegde medische gegevens er niet in is geslaagd om te onderbouwen dat de verzekeringsartsen onvoldoende rekening hebben gehouden met zijn objectieve klachten of beperkingen. Daarnaast heeft de rechtbank geoordeeld dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep overtuigend uiteen heeft gezet waarom het rapport van 20 juni 2018, dat is uitgebracht in het kader van een eerstejaars ZW-beoordeling (EZWb) per 13 februari 2017, niet door haar is overgenomen ter onderbouwing van de belastbaarheid van appellant per de datum van het huidige geding. Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank geen aanleiding gezien om te twijfelen aan de beoordeling door de verzekeringsartsen. Omdat volgens de rechtbank niet is gebleken dat de beperkingen van appellant in de FML van 27 maart 2018 zijn onderschat, gaat de rechtbank voor de verdere beoordeling dan ook uit van de belastbaarheid die is neergelegd in die FML. Uitgaande van de vastgestelde beperkingen in de FML heeft de rechtbank geoordeeld dat appellant de werkzaamheden kan verrichten die verbonden zijn aan de geselecteerde functies. De rechtbank heeft geoordeeld dat het Uwv terecht heeft geweigerd om aan appellant per 31 januari 2018 een WIA-uitkering toe te kennen.
3.1.
Appellant heeft in hoger beroep zijn standpunt gehandhaafd dat hij op en na 31 januari 2018 meer beperkt is dan door het Uwv is vastgesteld. Appellant is van mening dat het Uwv onvoldoende beperkingen heeft aangenomen voor de intrinsieke zenuwschade in zijn rechterarm en -hand. Daarnaast heeft het Uwv volgens appellant onvoldoende rekening gehouden met zijn psychische klachten en slaapapneuklachten. Appellant begrijpt niet waarom op diverse punten bij de huidige beoordeling door de verzekeringsarts een wezenlijk ander standpunt is ingenomen dan door de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het kader van de EZWb per 13 februari 2017. Voorts heeft appellant aangevoerd dat hij door zijn medische beperkingen de geselecteerde functies niet kan vervullen.
3.2.
Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Van gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid van een verzekerde is op grond van artikel 5 van de Wet WIA sprake als hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van onder meer ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, maar niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Op grond van artikel 6, eerste lid, van de Wet WIA wordt de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.
4.2.
In geschil is de vraag of het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant in de zin van de Wet WIA terecht met ingang van 31 januari 2018 heeft vastgesteld op minder dan 35% en terecht heeft geweigerd aan appellant een WIA-uitkering toe te kennen.
4.3.
Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd over zijn slaapapneuklachten en psychische klachten vormt geen aanleiding om te concluderen dat het Uwv de beperkingen van appellant op de datum in geding heeft onderschat. De verzekeringsarts bezwaar en beroep was bekend met de psychische klachten en het medicatiegebruik van appellant op de datum in geding. De psychische klachten van appellant waren vooral gelegen in acceptatieproblematiek, boosheid en een gevoel van onrecht. In haar rapport van 26 september 2018 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep overtuigend gemotiveerd dat deze klachten van appellant en de beschikbare medische informatie van de behandelaars niet duiden op de aanwezigheid van een ernstigere psychopathologie waarvoor uitgebreidere beperkingen aan de orde zouden moeten zijn. Voor het aannemen van beperkingen in verband met de slaapapneuklachten heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in haar rapport van 26 september 2018 terecht geen aanleiding gezien nu hier geen medische onderbouwing meer voor bestaat.
4.4.
Ter zitting van de Raad is met partijen gesproken over de arm- en handklachten van appellant. De oorzaak van deze klachten werd aanvankelijk gezocht in een beknelling van een zenuw. Appellant heeft daarom op 14 november 2017 een operatie ondergaan, waarbij die zenuw geheel vrij is geprepareerd. De klachten van appellant zijn daarna niet verbeterd. In de polikliniekaantekening van 27 december 2017 is melding gemaakt van de mogelijkheid van intrinsieke zenuwschade. De Raad heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep de vraag voorgelegd of er na de operatie van 14 november 2017 van moet worden uitgegaan dat sprake is van intrinsieke zenuwschade of schade aan de zenuwbaan en wat dit betekent voor de belastbaarheid van appellant.
4.5.1.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in haar rapport van 9 september 2021 toegelicht dat appellant na de operatie op 14 november 2017 weliswaar nog dezelfde klachten claimt, maar dat dit niet meer goed navolgbaar of objectiveerbaar is. Er zijn namelijk geen afwijkingen van de zenuwbaan vastgesteld. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft verwezen naar de brief van de neurochirurg van 12 februari 2018, waaruit blijkt dat er – na een maximale neurochirurgische behandeling – geen neurologische afwijking is. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft ook opgemerkt dat, waar in de polikliniekaantekening van 27 december 2017 nog de mogelijkheid van intrinsieke zenuwschade wordt genoemd, hierover in de brief van de neurochirurg van 12 februari 2018 op geen enkele wijze meer wordt gesproken. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft meer waarde toegekend aan de brief van de neurochirurg van 12 februari 2018 dan aan de poliklinische aantekening. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft geconcludeerd dat er na 14 november 2017 geen enkele afwijking meer is aangetoond aan de zenuw en dat de klachten die appellant nog steeds ervaart eerder subjectief zijn dan dat zij op een medisch objectieve afwijking zijn gebaseerd.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van in totaal € 3.766,50;
- bepaalt dat het Uwv aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 174,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door A.I. van der Kris, in tegenwoordigheid van E.X.R. Yi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 december 2023.
(getekend) A.I. van der Kris
(getekend) E.X.R. Yi