Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2023-11-09
ECLI:NL:CRVB:2023:2116
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
2,521 tokens
Inleiding
213029 WIA
Datum uitspraak: 9 november 2023
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 28 juli 2021, 20/3533 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Procesverloop
Namens appellante heeft mr. B.F. Desloover, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 maart 2022. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Desloover. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. J.C. van Beek.
Na de zitting is het onderzoek heropend.
De Raad heeft psychiater I.S. Hernandez-Dwarkasing als deskundige benoemd. Zij heeft op
17 februari 2023 een rapport uitgebracht.
Partijen hebben hun zienswijze op het rapport gegeven en het Uwv heeft nadere stukken ingediend.
Onder toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een nader onderzoek ter zitting achterwege gebleven, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten.
Overwegingen
1.1.
Appellante is laatstelijk werkzaam geweest als medewerker groenvoorziening voor 36 uur per week. Op 5 november 2012 heeft zij zich ziek gemeld. Na afloop van de voorgeschreven wachttijd heeft het Uwv aan appellante met ingang van 3 november 2014 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend. De mate van arbeidsongeschiktheid is daarbij vastgesteld op 100%.
1.2.
In het kader van een herbeoordeling heeft appellante op 16 juli 2019 het spreekuur bezocht van een arts van het Uwv. Deze arts heeft een psychiatrische expertise laten verrichten. Op 22 oktober 2019 heeft psychiater R. Hondius, verbonden aan Psyon, een rapport uitgebracht. Op 25 november 2019 heeft appellante opnieuw het spreekuur van de arts van het Uwv bezocht. Vastgesteld is dat er een groot verschil is tussen de diagnose van de behandelaars en die van de deskundige. In het expertiserapport heeft de deskundige vermeld dat er sprake is van symptoomaggravatie omdat het klachtenpatroon diffuus en atypisch is. Daarnaast zijn er inconsistenties gevonden in de anamnese en bevindingen in de cognitieve functies. Deze inconsistenties heeft de arts van het Uwv ook tijdens het spreekuur vastgesteld. De arts van het Uwv vindt de expertise zorgvuldig. De arts van het Uwv ziet op basis van eigen onderzoek geen medische grond voor het aannemen van volledige arbeidsongeschiktheid en gaat uit van een matige depressie omdat de klachten niet passen bij een psychose en de cognitieve klachten inconsistent aanwezig zijn. De beperkingen zijn neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 26 november 2019. Een arbeidsdeskundige heeft vervolgens functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen de mate van arbeidsongeschiktheid berekend. Het Uwv heeft bij besluit van 3 januari 2020 vastgesteld dat appellante met ingang van 4 maart 2020 geen recht meer heeft op een WIA-uitkering, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
1.3.
Het Uwv heeft het bezwaar van appellante tegen het besluit van 3 januari 2020 bij besluit van 24 juni 2020 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van 15 juni 2020 van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag.
2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in de rapportage van 15 juni 2020 inzichtelijk heeft uiteengezet dat de verzekeringsarts onderzoek heeft gedaan naar de medische voorgeschiedenis van appellante, een gerichte anamnese heeft afgenomen en zich een zelfstandig beeld heeft gevormd van de psychische presentatie. Ook is informatie van de behandelaars meegenomen in de beoordeling en dat gaf aanleiding om een psychiatrisch expertiseonderzoek te laten verrichten. Op basis van de bevindingen uit dit onderzoek is inzichtelijk geworden dat sprake is van een atypisch en inconsistent klachtenbeeld en dat de klachten moeten worden gezien in het kader van een aanpassingsstoornis. Daarom is terecht geconcludeerd dat geen sprake is van volledige arbeidsongeschiktheid op medische gronden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in reactie op de door appellante in beroep ingediende medische informatie uiteengezet dat niet inzichtelijk is gemaakt hoe de behandelend psychiater tot zijn conclusie is gekomen, terwijl de psychiater die de expertise heeft verricht, heeft toegelicht wat de onderzoeksbevindingen zijn en hoe zij tot deze bevindingen is gekomen. In wat appellante heeft aangevoerd heeft de rechtbank geen aanleiding gevonden te twijfelen aan de juistheid van de medische grondslag van het bestreden besluit. Om die reden heeft de rechtbank geen aanleiding gezien een deskundige te benoemen.
3.1.
In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat de rechtbank onvoldoende waarde heeft toegekend aan de diagnoses die haar behandelaars hanteren. Zij heeft erop gewezen dat haar behandelaars haar al jaren kennen en een andere diagnose hanteren dan de psychiater van Psyon en in navolging daarvan de verzekeringsartsen van het Uwv. Dat had voor de rechtbank aanleiding moeten zijn een deskundige in te schakelen. Appellante heeft de Raad verzocht de omissie van de rechtbank te herstellen en een deskundige in te schakelen.
3.2.
Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
4.1.
Er is een groot verschil tussen de diagnoses die de behandelaars van appellante hebben gesteld en die waar de verzekeringsartsen van het Uwv van uitgaan op basis van het rapport van de psychiater van Psyon. Appellante is al jarenlang onder behandeling bij haar behandelaars. Op grond van deze omstandigheden heeft de Raad een psychiater als deskundige benoemd.
4.2.
De deskundige heeft in het rapport van 17 februari 2023 geconcludeerd dat bij appellante op de datum in geding, 3 maart 2020, sprake was van een licht tot matige verstandelijke beperking, een ongespecificeerde psychotrauma- of stressorgerelateerde stoornis, een
ongespecificeerde schizofreniespectrum- of andere psychotische stoornis en een
depressieve stoornis, eenmalige episode, matig. Volgens de deskundige was appellante meer beperkt dan in de FML van 26 november 2019 is aangenomen. De deskundige heeft vastgesteld dat appellante de aandacht niet lang kan vasthouden, dat zij snel is afgeleid, dat zij niet in staat is zich te concentreren op meerdere onderwerpen en zich dingen niet kan herinneren. Daarom acht de deskundige vanuit psychiatrisch perspectief aanvullende beperkingen voor concentreren, voor het verdelen van de aandacht en voor herinneren noodzakelijk. Dit betreffen matige beperkingen.
4.3.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in een rapport van 3 mei 2023 de FML aangepast overeenkomstig het advies van de deskundige. Er zijn aanvullend beperkingen gesteld ten aanzien van het vasthouden van de aandacht, het verdelen van de aandacht, herinneren en appellante is verder aangewezen op vaste bekende werkwijzen. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in een rapport van 15 juni 2023 vastgesteld dat de toegevoegde beperkingen geen invloed op de functieselectie hebben.
5. De Raad oordeelt als volgt.
5.1.
Van gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid van een verzekerde is op grond van artikel 5 van de Wet WIA sprake als hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van onder meer ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, maar niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Op grond van artikel 6, eerste lid, van de Wet WIA wordt de beoordeling of iemand volledig en duurzaam arbeidsongeschikt of gedeeltelijk arbeidsgeschikt is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.
5.2.
In geschil is de vraag of het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante in de zin van de Wet WIA terecht heeft vastgesteld op minder dan 35%.
5.3.
Als uitgangspunt geldt dat de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijke, door hem ingeschakelde, deskundige volgt als de motivering van deze deskundige hem overtuigend voorkomt. Deze situatie doet zich hier voor.
5.4.
Het Uwv heeft het oordeel van de deskundige overgenomen dat voor appellante op enkele items meer beperkingen gelden en de FML op 3 mei 2023 aangepast. Dat appellante meent dat hiermee nog steeds onvoldoende rekening is gehouden met haar psychische klachten is niet voldoende om tot het oordeel te komen dat de beperkingen van appellante onjuist zijn vastgesteld.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 3.766,50;
- bepaalt dat het Uwv aan appellante het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 182,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door W.J.A.M. van Brussel, in tegenwoordigheid van E.X.R. Yi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 november 2023.
(getekend) W.J.A.M. van Brussel
(getekend) E.X.R. Yi