Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2023-11-08
ECLI:NL:CRVB:2023:2068
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
865 tokens
Inleiding
Datum uitspraak: 8 november 2023
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 26 mei 2021, 19/4700 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Procesverloop
De Raad heeft op 10 oktober 2022 tussenuitspraak gedaan, gepubliceerd onder ECLI:NL:CRVB:2022:2164.
Op 17 april 2023 heeft het Uwv een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen.
Op 6 juli 2023 heeft mr. M. Shaaban, opvolgend gemachtigde, namens appellant het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten.
Het Uwv heeft op 31 juli 2023 medegedeeld geen bezwaren te hebben tegen de gevraagde proceskostenvergoeding.
Onder toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Namens appellant is het hoger beroep ingetrokken omdat het Uwv met de gewijzigde beslissing op bezwaar van 17 april 2023 volledig aan de bezwaren van appellant tegemoet is gekomen.
De Raad ziet aanleiding om het Uwv te veroordelen in de kosten die appellant in verband met de behandeling van het bezwaar en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De kosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op €1.194,- in bezwaar (1 punt voor het indienen van een bezwaarschrift en 1 punt voor het verschijnen op de hoorzitting) en €1.674,- in hoger beroep (1 punt voor het indienen van het hoger beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting) voor verleende rechtsbijstand, en €41,80 voor opgevraagde medische informatie. In totaal bedraagt de proceskostenvergoeding €2.909,80.
Ook dient het Uwv het door appellant in hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden.
De rechtbank heeft al bepaald dat de proceskosten in beroep vergoed moeten worden alsmede het in beroep betaalde griffierecht.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep
- veroordeelt het Uwv in de kosten van appellant tot een bedrag van € 2.909,80;
- bepaalt dat het Uwv aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van €134,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 november 2023.
(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen
(getekend) M.D.F. de Moor