Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2023-10-04
ECLI:NL:CRVB:2023:1869
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
2,329 tokens
Inleiding
22 2975 WIA
Datum uitspraak: 4 oktober 2023
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 16 augustus 2022, 21/2202 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Procesverloop
Namens appellant heeft mr. J.M. Krommendijk, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 augustus 2023. Namens appellant is mr. Krommendijk verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W. de Rooy-Bal.
Overwegingen
1.1.
Appellant heeft laatstelijk gewerkt als beveiligingsmedewerker voor 44 uur per week. Vanuit een werkloosheidssituatie heeft appellant zich op 9 januari 2012 ziek gemeld met lichamelijke en psychische klachten. Het Uwv heeft met ingang van 22 februari 2012 een uitkering ingevolgde de Ziektewet (ZW) toegekend. In verband met de ziekmelding is appellant onderzocht door een verzekeringsarts. Deze arts heeft in een rapport van 21 maart 2012 geconcludeerd dat appellant zich eerder met dezelfde klachten heeft ziek gemeld en dat er geen nieuwe medische feiten naar voren zijn gekomen. Bij het onderzoek vertonen de handen een normaal aspect en is er geen psychische stoornis in engere zin naar voren gekomen. De verzekeringsarts heeft appellant niet gevolgd in zijn standpunt dat hij op dat moment vanwege emoties en agressie niet geschikt was voor zijn werk als beveiligingsmedewerker. Bij besluit van 21 maart 2012 heeft het Uwv appellant per 26 maart 2012 hersteld gemeld voor zijn werk en is de ZW-uitkering beëindigd. Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Een verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in een rapport van 14 mei 2012 geconcludeerd dat er geen argumenten zijn om af te wijken van het oordeel van de primaire verzekeringsarts. Het Uwv heeft onder verwijzing naar het rapport van 14 mei 2012 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep het bezwaar ongegrond verklaard. Appellant heeft hiertegen geen beroep ingesteld.
1.2.
Op 20 mei 2019 heeft appellant een aanvraag ingediend voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), waarbij appellant heeft gesteld dat hij vanaf 12 februari 2012 arbeidsongeschikt is. Bij besluit van 22 mei 2019 heeft het Uwv deze aanvraag afgewezen omdat niet voldaan is aan de voorwaarde dat appellant gedurende 104 weken recht heeft gehad op een ZW-uitkering. Appellant heeft daartegen bezwaar gemaakt. Bij besluit van 9 augustus 2019 heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 22 mei 2019 ongegrond verklaard omdat appellant op 26 maart 2012 hersteld is verklaard voor het eigen werk en hij de verplichte wachttijd van 104 weken niet heeft volgemaakt. Hierdoor kan hij vanaf 10 februari 2014 geen aanspraak maken op een WIA-uitkering.
1.3.
Bij uitspraak van 5 december 2019 heeft de rechtbank het beroep van appellant gegrond verklaard en heeft het besluit van 9 augustus 2019 vernietigd. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 26 november 2014 heeft de rechtbank overwogen dat de vraag of de wachttijd is vervuld een zelfstandige beoordeling vereist op basis van alle beschikbare gegevens van medische en andere aard, waarbij eventuele eerdere tijdens de wachttijd plaatsgevonden hersteldverklaringen betrokken (kunnen) worden. Dit betekent dat aan de hersteldverklaring van appellant met ingang van 26 maart 2012 op zichzelf geen doorslaggevende betekenis moet worden toegekend. Het Uwv heeft niet kunnen volstaan met een verwijzing naar een hersteldverklaring in het kader van de ZW. De rechtbank heeft het Uwv opgedragen appellant alsnog te laten onderzoeken door een verzekeringsarts en een verzekeringsarts bezwaar en beroep waarna een nieuwe beslissing op bezwaar moet worden genomen.
1.4.
Ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank heeft appellant op 17 februari 2020 het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. De verzekeringsarts heeft hierna en na bestudering van de informatie van de huisarts, reumatoloog en orthopedisch chirurg geconcludeerd dat na de beëindiging van de ZW-uitkering per 26 maart 2012 er geen sprake is van toegenomen beperkingen van de nek, rechterschouder, arm en handen. Evenmin zijn de psychische beperkingen toegenomen. Er waren in 2012 life-events die een toename van klachten en beperkingen zouden kunnen geven, maar die hebben ongeveer vier maanden en later na 26 maart 2012 plaatsgevonden. Appellant is binnen vier weken na 26 maart 2012 nog steeds niet ongeschikt gebleven voor het eigen werk. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 12 januari 2021 het standpunt van de verzekeringsarts onderschreven. Uit de medische gegevens, blijkt niet dat de gezondheidssituatie in de vier weken na 26 maart 2012 is gewijzigd. Bij besluit van 4 februari 2021 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 22 mei 2019 opnieuw ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het medisch onderzoek zorgvuldig is verricht. Beide verzekeringsartsen hebben appellant gesproken, hebben appellant medisch onderzocht en de overgelegde informatie betrokken bij de beoordeling. De verzekeringsartsen hebben op grond van de beschikbare medische informatie terecht geconcludeerd dat er geen concrete aanwijzingen zijn dat appellant binnen vier weken na 26 maart 2012 arbeidsongeschikt was en is gebleven. Hoewel appellant zich op 27 maart 2012 bij de huisarts heeft gemeld, is niet gebleken dat de psychische klachten op dat moment dusdanig ernstig waren dat hij ongeschikt was voor zijn arbeid. Appellant is pas in april 2013 doorverwezen naar PsyQ. Voorts is uit de medische gegevens niet gebleken dat de nek-, schouder-, arm- en handklachten op 26 maart 2012 een relevante invloed hadden op de belastbaarheid van appellant, zodat deze klachten op dat moment geen ongeschiktheid voor zijn arbeid tot gevolg hadden. De rechtbank heeft voorts overwogen dat het niet gaat om de door appellant ervaren medische klachten als zodanig, maar om als gevolg van ziekte of gebrek objectief vastgestelde beperkingen bij het verrichten van arbeid op de datum in geding. Tot slot heeft de rechtbank overwogen dat appellant pas in 2019 een WIA-uitkering heeft aangevraagd. Naar vaste rechtspraak komt de onduidelijkheid over een medische situatie in het verleden die voortvloeit uit de late aanvraag, voor rekening en risico van de aanvrager.
3.1.
Appellant heeft in hoger beroep herhaald dat er ten onrechte van wordt uitgegaan dat er
geen sprake was van een toename van bestaande klachten na de hersteldverklaring per 26 maart 2012. De voor/op/omstreeks 26 maart 2012 bij appellant bestaande medische klachten zien ook op aandoeningen van chronische aard en met een progressief verloop in toename van klachten en beperkingen. Een slijmbeursontsteking in 2010 was in 2012 niet opgelost maar juist verergerd evenals de chronische klachten aan zijn nek. Appellant heeft zich dat jaar bij de huisarts gemeld met een vermoeden van een mogelijke nekhernia wat duidt op een toename van klachten. Ook is sprake van een toename van psychische klachten, niet enkel vanwege de latere life-events maar ook vanwege het (eerdere) ontslag door de werkgever en de financiële gevolgen door terugval naar een bestaansminimum op bijstandsniveau na de hersteldverklaring van 26 maart 2012. Appellant vindt het onbegrijpelijk dat de verzekeringsarts een toename van klachten bij de latere life-events wel aannemelijk acht, maar niet na een verlies van baan en inkomen. Evenmin moet het veronderstelde gebrek aan medische informatie vanwege de late aanvraag voor zijn risico komen. Appellant heeft zich op 27 maart 2012 bij de huisarts gemeld met klachten. Dat de huisarts appellant niet direct heeft willen zien of heeft willen uitnodigen voor een consult, kan appellant niet verweten worden.
3.2.
Het Uwv heeft verzocht om bevestiging van de aangevallen uitspraak.
4. De Raad oordeelt als volgt.
4.1.
Artikel 23, eerste lid van de Wet WIA bepaalt dat de verzekerde recht heeft op toekenning van een uitkering zodra hij onafgebroken 104 weken arbeidsongeschikt is geweest en na afloop nog arbeidsongeschikt is.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door E. Dijt, in tegenwoordigheid van D. Schaap als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 oktober 2023.
(getekend) E. Dijt
(getekend) D. Schaap
ECLI:NL:RBDHA:2019:13708.
ECLI:NL:CRVB:2014:3938.