Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2023-06-12
ECLI:NL:CRVB:2023:1666
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
928 tokens
Procesverloop
Verzoekster heeft verzocht om herziening van de uitspraak van de Raad van 17 oktober 2013, 12/906 AW en 12/907 AW, in gedingen tussen verzoekster en de minister van Justitie en Veiligheid.
Bij brieven van 6 januari 2023, 21 maart 2023 en 16 april 2023 heeft verzoekster aan de Raad (onder meer) verzocht om voor de behandeling van haar zaak ter zitting een of meer getuigen op te roepen.
Bij brief van 3 mei 2023 is verzoekster uitgenodigd voor de behandeling ter zitting van het verzoek om herziening op 2 juni 2023 door het lid van de enkelvoudige kamer J.J.T. van den Corput (behandelend rechter).
Bij brief van 4 mei 2023 is aan verzoekster naar aanleiding van haar brieven van 6 januari 2023, 21 maart 2023 en 16 april 2023 meegedeeld dat de Raad op dit moment geen aanleiding ziet om getuigen op te roepen.
Bij brief van 10 mei 2023 heeft verzoekster verzocht om wraking van de behandelend rechter.
De behandelend rechter heeft op het wrakingsverzoek gereageerd en meegedeeld niet in de wraking te berusten.
Verzoekster heeft nadere stukken ingediend.
Verzoekster en de behandelend rechter zijn uitgenodigd om te worden gehoord ter zitting van de Raad op 5 juni 2023. Verzoekster is, met voorafgaand bericht, niet verschenen. De behandelend rechter heeft aangegeven niet te zullen verschijnen.
Overwegingen
1. Artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht bepaalt dat op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen, kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
2. Verzoekster heeft – uitgebreid gemotiveerd, maar hier verkort weergegeven – naar voren gebracht dat de behandelend rechter volgens haar vooringenomen is omdat hij geen aanleiding heeft gezien om (de door haar voorgestelde) getuigen op te roepen, waarmee wordt meegewerkt aan ‘de ondermijning van de waarheidsvinding’ in haar zaken.
3. Een wrakingsgrond moet zijn gelegen in feiten of omstandigheden die betrekking hebben op (de persoon van) de rechter die de zaak behandelt. Bij een beoordeling van een beroep op het ontbreken van de onpartijdigheid van de rechter moet verder het uitgangspunt zijn dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing vormt voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat bij een rechtzoekende daarover bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is (zie onder meer het arrest van de Hoge Raad van 21 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM9141).
4.1.
Dictum
4.2.
Gelet op de in 4.1 weergegeven maatstaf, die is ontleend aan het arrest van de Hoge Raad van 25 september 2018, moet worden geoordeeld dat (de motivering van) de afwijzing van het verzoek om getuigen op te roepen – naar objectieve maatstaven – geen blijk geeft van vooringenomenheid van de behandelend rechter. Het verzoek om wraking wordt dan ook afgewezen.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om wraking af.
Deze beslissing is gegeven door T. Dompeling als voorzitter en S.B. Smit-Colenbrander en J.J. Janssen als leden, in tegenwoordigheid van F.C. Meershoek als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 juni 2023.
(getekend) T. Dompeling
(getekend) F.C. Meershoek
CRvB 26 november 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3746.
ECLI:NL:HR:2018:1413.