Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2023-08-17
ECLI:NL:CRVB:2023:1609
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste en enige aanleg
1,494 tokens
Inleiding
22/3229 WUV
Datum uitspraak: 17 augustus 2023
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak in het geding tussen
Partijen:
[appellante] te [woonplaats 1] , USA (appellante)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (verweerder)
Procesverloop
Met een besluit van 20 april 2022 heeft verweerder de aanvraag om toekenning van een vergoeding voor het aanschaffen van een auto op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv) afgewezen.
Appellante heeft daartegen bezwaar gemaakt maar verweerder is met een besluit van 4 augustus 2022, kenmerk BZ011505770 (bestreden besluit), bij de afwijzing gebleven.
Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 6 juli 2023. Appellante is niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S. Leurink-Ofman.
Overwegingen
Samenvatting
Appellante heeft in januari 2022 bij verweerder een aanvraag gedaan om toekenning van een voorziening voor de aanschafkosten van een auto.
Totstandkoming van het bestreden besluit
1. Bij de beoordeling van het beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante is vervolgde in de zin van de Wuv. Aanvaard is dat zij psychische klachten en gebitsklachten heeft die in verband staan met de door haar ondergane vervolging.
1.2.
Appellante heeft in 2015 op grond van de Wuv een vergoeding gekregen voor het aanschaffen van een auto.
1.3.
Op 21 november 2021 heeft een ongeval plaatsgevonden waarbij de geparkeerde auto van appellante is beschadigd geraakt en total loss is verklaard. Dat heeft appellante aanleiding gegeven op 9 januari 2022 bij verweerder een aanvraag in te dienen om toekenning van een vergoeding voor het aanschaffen van een andere auto.
1.4.
Met een besluit van 20 april 2022 heeft verweerder de aanvraag van appellante afgewezen. De bezwaren van appellante daartegen zijn door verweerder bij het bestreden besluit ongegrond verklaard. Verweerder heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat appellante niet meer voldoet aan de vereisten die gelden voor het toekennen van de door haar gevraagde vergoeding voor het aanschaffen van een auto. Zo heeft appellante zelf geen geldig rijbewijs meer en evenmin een samenwonende partner met een geldig rijbewijs. Verweerder ziet geen aanleiding om voor appellante een uitzondering te maken, omdat er geen medische bezwaren zijn dat zij met een derde meerijdt.
Beoordeling
2.1.
De Raad beoordeelt of verweerder terecht de aanvraag van appellante heeft afgewezen. Hij doet dit aan de hand van argumenten die appellante in beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
2.2.
De Raad komt tot het oordeel dat het beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
2.3.
De artikelen 20 en 21 van de Wuv geven de mogelijkheid aan vervolgingsslachtoffers een vergoeding of tegemoetkoming toe te kennen als sprake is van extra kosten, die door of in verband met de vervolging zijn ontstaan of verergerd. Dit brengt mee dat een voorziening op grond van de Wuv strikt persoonsgebonden is.
2.4.
Het toekennen van een vergoeding of tegemoetkoming voor het aanschaffen van een auto is alleen mogelijk als de vervolgde aan een aantal vereisten voldoet. Een van de vereisten is dat de vervolgde of de samenwonende partner beschikt over een geldig rijbewijs en daadwerkelijk zelf rijdt. Daarnaast hanteert verweerder het uitgangspunt dat aan de vereisten van het toekennen van de voorziening niet wordt voldaan als de vervolgde in staat is om met anderen (bekenden) mee te rijden. De Raad heeft dit uitgangspunt en genoemde vereisten in eerdere rechtspraak aanvaard.
2.5.
Appellante is alleenstaande, niet samenwonend, en niet in het bezit van een rijbewijs. Zij laat zich tegen betaling rijden in haar eigen auto, meestal door de buurman. Dat betekent dat appellante niet meer voldoet aan de vereisten die worden gesteld aan het toekennen van een voorziening voor de aanschafskosten van een auto. Anders dan appellante kennelijk voor ogen heeft kan de buurman of een andere bekende niet de rol innemen van de samenwonende partner. De strikt persoonsgebonden voorziening (de auto) zou dan namelijk ook door anderen gebruikt kunnen worden.
2.6.
In beroep heeft appellant ook nog verzocht om een “vergoeding voor haar chauffeur”. De aanvraag die de Raad nu beoordeelt ziet echter niet op een vergoeding van vervoerskosten, maar op een voorziening in de aanschafkosten van een auto. Daarom valt het verzoek om een vergoeding van vervoerskosten buiten de omvang van dit geding. Uit het dossier maakt de Raad overigens op, dat appellante al een vergoeding voor rijkosten ontvangt, naast een voorziening deelname maatschappelijk verkeer en een vergoeding medische vervoerskosten.
Conclusie
3. Het beroep slaagt niet. Dat betekent dat de afwijzing van het verzoek om toekenning van een voorziening voor de aanschafkosten van een auto in stand blijft.
4. Appellante krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door H. Lagas, in tegenwoordigheid van L.C. van Bentum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 augustus 2023.
(getekend) H. Lagas
(getekend) L.C. van Bentum
Zie bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2020:92.