Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2023-08-17
ECLI:NL:CRVB:2023:1585
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
2,438 tokens
Inleiding
22/3057 AOW
Datum uitspraak: 17 augustus 2023
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 10 augustus 2022, 21/3350 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
Procesverloop
Met een besluit van 9 november 2020 heeft de Svb het ouderdomspensioen voor een gehuwde pensioengerechtigde (gehuwdenpensioen) van appellant per 12 maart 2020 ongewijzigd voortgezet, omdat geen sprake is van duurzaam gescheiden leven als bedoeld in artikel 1, derde lid, aanhef en onder b, van de AOW.Appellant heeft daartegen bezwaar gemaakt maar de Svb is met een besluit van 14 mei 2021 (bestreden besluit) bij de ongewijzigde voortzetting van het gehuwdenpensioen gebleven.
Appellant heeft tegen dat besluit beroep ingesteld. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak het beroep ongegrond verklaard.
Namens appellant heeft mr. G.J. de Kaste, advocaat, hoger beroep ingesteld. De Svb heeft afgezien van het indienen van een verweerschrift.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 26 mei 2023. Voor appellant is mr. De Kaste verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.F. Sturmans. Het geding is gevoegd behandeld met de zaak 22/1976 AOW. Na de behandeling zijn de gedingen weer gesplitst en zal afzonderlijk uitspraak worden gedaan.
Overwegingen
Samenvatting
De Svb heeft het gehuwdenpensioen van appellant terecht per 12 maart 2020 ongewijzigd voortgezet, omdat geen sprake is van duurzaam gescheiden leven. De nog bestaande mate van financiële verstrengeling en mate van contact tussen appellant en zijn echtgenote in de periode in geding staan duurzaam gescheiden leven in de weg.
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant is in 1972 gehuwd. Hij ontvangt een ouderdomspensioen voor een gehuwde pensioengerechtigde. Op 16 maart 2020 heeft appellant de Svb gevraagd hem in aanmerking te brengen voor een ongehuwdenpensioen. Daarbij heeft appellant aangegeven dat hij vanaf 12 maart 2020 niet meer samenwoont met zijn echtgenote. In oktober 2020 heeft de Svb een onderzoek gedaan naar de vraag of aan appellant een ongehuwdenpensioen zou moeten worden toegekend, omdat hij duurzaam gescheiden zou leven van zijn echtgenote.
1.2.
De Svb heeft in een besluit van 9 november 2020 appellant bericht dat zijn ouderdomspensioen ongewijzigd wordt voortgezet, omdat geen sprake is van duurzaam gescheiden leven als bedoeld in artikel 1, derde lid, aanhef en onder b, van de AOW.
1.3.
Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft de Svb ongegrond verklaard bij het bestreden besluit.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank oordeelt dat op 12 maart 2020 geen sprake is van een situatie van duurzaam gescheiden leven. Appellant en zijn echtgenote zijn gezamenlijk eigenaar van de woning waarin de echtgenote woont. Voor de gezamenlijke koopwoning hebben zij een gezamenlijke bankrekening en gezamenlijke verzekeringen. Appellant betaalt nog mee aan de kosten van de hypotheek. In hun testamenten noemen zij elkaar als erfgenaam. Appellant heeft aangegeven dat zijn echtgenote de administratie voor de gezamenlijke koopwoning doet. Er staan ook nog enkele zaken van appellant in die woning. Verder maakt appellant een deel van zijn pensioen over aan zijn echtgenote, zodat zij in haar levensonderhoud kan voorzien. Appellant heeft persoonlijk contact met zijn echtgenote. Ten tijde in geding belden zij elkaar wekelijks, hadden zij via e-mail contact of zagen zij elkaar bij de kinderen. Ook hebben zij een sleutel van elkaars huidige woning. Op grond van de financiële verstrengeling en het regelmatige contact is de rechtbank van oordeel dat op 12 maart 2020 geen sprake is van een situatie van duurzaam gescheiden leven.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Hij heeft tegen die uitspraak aangevoerd dat wel sprake is van een situatie van duurzaam gescheiden leven. Op zitting is naar voren gebracht dat tijdens de hoorzitting in bezwaar door de Svb zou zijn toegezegd om van een ander toetsingsmoment dan 12 maart 2020 uit te gaan. Dat is niet gebeurd. Ook de rechtbank is ten onrechte voorbijgegaan aan wijzigingen die na die datum hebben plaatsgevonden. Tot slot is aangevoerd dat de feiten en omstandigheden die de Svb heeft meegewogen, ook zo zouden zijn als hij van zijn echtgenote gescheiden zou zijn. Appellant zou dan alimentatie aan zijn echtgenote moeten betalen, maar dat maakt volgens hem niet dat er sprake is van financiële verstrengeling. Daarnaast zou ook het contact over de kinderen bij een echtscheiding niet anders zijn.
Beoordeling
4.1.
De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het besluit om ongewijzigde voortzetting van het gehuwdenpensioen in stand heeft gelaten. Hij doet dat aan de hand van de argumenten die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
4.2.
In geschil is of appellant als duurzaam gescheiden levend moet worden aangemerkt, als bedoeld in artikel 1, derde lid, aanhef en onder b, van de AOW. De te beoordelen periode loopt van 12 maart 2020, de datum van de gestelde wijziging, tot en met 9 november 2020, de datum van het primaire besluit. Dit betekent dat alle feiten en omstandigheden die hierna zijn gewijzigd in de toetsing geen rol kunnen spelen.
4.3.
Op grond van artikel 1, derde lid, aanhef en onder b, van de AOW, wordt voor de toepassing van de AOW als ongehuwd mede aangemerkt degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is.
4.4.
Voor gevallen waarin geen sprake is van een ongewilde verbreking van de huwelijkse samenleving legt de Raad het begrip duurzaam gescheiden leven als volgt uit. Gehuwde mensen leven pas duurzaam gescheiden als aan al de volgende voorwaarden is voldaan:
a. a) ten minste één van hen wil de huwelijkse samenleving verbreken;
b) ieder van hen leidt afzonderlijk een eigen leven alsof hij of zij niet met de ander is gehuwd;
c) ten minste één van hen bedoelt deze situatie als blijvend.
Of aan deze voorwaarden wordt voldaan, moet blijken uit de feitelijke omstandigheden. Daarvoor is niet voldoende dat betrokkenen hun hoofdverblijf niet hebben in dezelfde woning. De huwelijkse samenleving kan immers bestaan zonder dat de echtgenoten samenwonen. Voor de beoordeling of mensen duurzaam gescheiden leven is verder niet van belang om welke redenen zij de huwelijkse samenleving niet (of nog niet, niet meer of niet opnieuw) hebben verbroken.
4.5.
Wat appellant heeft aangevoerd over het duurzaam gescheiden leven vormt in essentie een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de motivering waarop dat oordeel berust en verwijst daarnaar. In aanvulling daarop overweegt de Raad dat van een toezegging door de Svb op de hoorzitting in bezwaar om van een andere periode in geding uit te gaan, niet is gebleken. Al om die reden zal aan dit punt voorbij worden gegaan.
4.6.
Voor zover appellant heeft bedoeld te betogen dat sprake is van ongelijke behandeling tussen gehuwde pensioengerechtigden en ongehuwde pensioengerechtigden die ieder een eigen woning hebben, wordt verwezen naar een uitspraak van 14 februari 2017 in het kader van de twee-woningenregel. In die uitspraak heeft de Raad geoordeeld dat verschillende behandeling van gehuwden en ongehuwden is gerechtvaardigd omdat de situatie van ongehuwd samenwonenden, gelet op de bijzondere band van het huwelijk die sociale, persoonlijke en juridische gevolgen heeft, niet gelijk is aan de situatie van gehuwden.
Conclusie
4.7.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat appellant vanaf 12 maart 2020 een gehuwdenpensioen blijft houden.
5. Appellant krijgt daarom geen vergoeding voor zijn proceskosten. Hij krijgt ook het betaalde griffierecht niet terug.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M. Wolfrat, in tegenwoordigheid van L.C. van Bentum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 augustus 2023.
(getekend) M. Wolfrat
(getekend) L.C. van Bentum
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip duurzaam gescheiden leven.
Algemene Ouderdomswet.
Uitspraak van de Raad van 9 oktober 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BX9932.
Uitspraken van de Raad van 2 april 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:1277 en 3 april 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1093.
ECLI:NL:CRVB:2017:583.