Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2023-08-17
ECLI:NL:CRVB:2023:1583
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht, Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste en enige aanleg
1,563 tokens
Inleiding
22/3152 WUV
Datum uitspraak: 17 augustus 2023
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak in het geding tussen
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (verweerder)
Procesverloop
Met een besluit van 18 mei 2022 heeft verweerder de aanvraag om toekenning van een vergoeding van de kosten van een tandheelkundige behandeling aan de onderkaak op grond van Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv) afgewezen.
Appellant heeft daartegen bezwaar gemaakt maar verweerder is met een besluit van 1 september 2022, kenmerk BZ0115119226 (bestreden besluit), bij de afwijzing gebleven.
Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 6 juli 2023. Appellant is niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S. Leurink-Ofman.
Overwegingen
Samenvatting
Appellant heeft in maart 2022 bij verweerder een aanvraag gedaan om toekenning van een voorziening voor tandheelkundige behandeling aan de onderkaak.
Totstandkoming van het bestreden besluit
1. Bij de beoordeling van het beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant is vervolgde en uitkeringsgerechtigde in de zin van de Wuv. Aanvaard is dat hij psychische klachten heeft die in verband staan met de ondergane vervolging. Ook is aanvaard dat de bij appellant aanwezige gebitsklachten aan de bovenkaak, die door hem worden toegeschreven aan een tijdens de Japanse bezetting doorgemaakt gebitstrauma, verbandhouden met de vervolging.
1.2.
Een in 2005 ingediende aanvraag om vergoeding van de kosten van parodontale behandeling van de onderkaak is door verweerder afgewezen en na bezwaar gehandhaafd bij het besluit van 13 juli 2006 omdat de paradontale klachten niet in verband kunnen worden gebracht met de vervolging maar duidelijk door andere oorzaken zijn ontstaan. Een tandheelkundig adviseur concludeerde dat er sprake was van een multicausaal ziektebeeld waarbij onder meer leeftijd van appellant, onderhoud, roken en aanleg een belangrijke rol spelen. Het beroep tegen dit besluit van 13 juli 2006 is door de Raad ongegrond verklaard.
1.3.
In maart 2022 heeft appellant een aanvraag ingediend om vergoeding van de kosten van een tandheelkundige behandeling aan de onderkaak.
1.4.
Met zijn besluit van 18 mei 2022 heeft verweerder de aanvraag van appellant afgewezen. De bezwaren van appellant daartegen zijn door verweerder bij het bestreden besluit ongegrond verklaard. Verweerder heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat verschillende malen eerdere verzoeken van appellant om vergoeding van de kosten van behandelingen aan de onderkaak zijn afgewezen omdat de gebitsklachten aan de onderkaak niet zijn toe te schrijven aan de vervolging. Verweerder ziet geen aanleiding voor een ander oordeel omdat dat wat appellant heeft aangevoerd op het eerder ingenomen standpunt geen ander licht werpt.
Beoordeling
2.1.
De Raad beoordeelt of verweerder terecht de aanvraag van appellant heeft afgewezen. Hij doet dit aan de hand van argumenten die appellant in beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
2.2.
De Raad komt tot het oordeel dat het beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
2.3.
De aanvraag van appellant moet worden aangemerkt als een verzoek aan verweerder om het eerder ingenomen standpunt, dat de gebitsklachten aan de onderkaak geen verband houden met de vervolging, te herzien.
2.4.
Op grond van artikel 61, tweede lid, van de Wuv, is verweerder daartoe bevoegd. Daarbij staat centraal de vraag of er nieuwe feiten of gegevens naar voren zijn gekomen die tot een ander oordeel zouden moeten leiden.
2.3.
Verweerder heeft opnieuw medisch advies ingewonnen, ook bij zijn tandheelkundig adviseur M. Schächter. Schächter concludeert dat de tandartsbehandeling ziet op parodontologische klachten aan een voortand in de onderkaak en dat in het verleden al is vastgesteld dat alleen de gebitsklachten aan de bovenkaak aan de tijdens de vervolging meegemaakte trauma (klap van een Japanner) kunnen worden toegeschreven. Schächter concludeert opnieuw dat een parodontaal gebitslijden niet kan zijn ontstaan door het trauma dat appellant heeft doorgemaakt.
2.4.
De Raad acht het bestreden besluit op grond van de daaraan ten grondslag liggende medische adviezen deugdelijk voorbereid en gemotiveerd. In wat appellant naar voren heeft gebracht is geen aanknopingspunt gevonden voor het oordeel dat verweerder de medische advisering niet mocht volgen. Meermaals is geconcludeerd dat de gebitsklachten aan de onderkaak van appellant niet in verband kunnen worden gebracht met de vervolging omdat er meerdere oorzaken zijn aan te wijzen voor deze gebitsklachten. Medische gegevens die hierop een ander licht zouden kunnen werpen zijn door appellant niet overgelegd. Verder is van belang dat in 1996 is vastgesteld dat het volwassengebit aan de onderkaak in goede staat verkeerde na te zijn gerehabiliteerd door kronen en bruggen.
Conclusie
3. Het beroep slaagt niet. Dat betekent dat de afwijzing van het verzoek om toekenning van een vergoeding van de kosten van tandheelkundige behandeling aan de onderkaak in stand blijft.
4. Appellant krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door H. Lagas in tegenwoordigheid van L.C. van Bentum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 augustus 2023.
(getekend) H. Lagas
(getekend) L.C. van Bentum
Uitspraak van 10 mei 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BA5254.