Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2023-07-25
ECLI:NL:CRVB:2023:1569
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
2,365 tokens
Inleiding
213451 WSF
Datum uitspraak: 25 juli 2023
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 11 augustus 2021, 20/4193 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)
Procesverloop
Namens appellante heeft mr. T.L.W. Hermens, advocaat, hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 juni 2023. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Hermens. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. E.H.A. van den Berg.
Overwegingen
1.1.
De minister heeft aan appellante vanaf 1 juli 2014 studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) toegekend. Over de periode juli 2014 tot en met augustus 2015 is de aanvullende beurs van appellante vastgesteld op een bedrag van € 0,- in verband met de hoogte van het inkomen van de vader van appellante (de moeder van appellante is in 2010 overleden). Over de periode september 2015 tot en met juli 2017 is aan appellante geen aanvullende beurs toegekend omdat zij haar aanvraag daarvoor op 22 juni 2015 had beëindigd. Naar aanleiding van een nieuwe aanvraag om aanvullende beurs op 23 oktober 2017 is aan appellante vanaf 1 augustus 2017 een (maximale) aanvullende beurs toegekend.
1.2.
Bij besluit van 12 februari 2018 heeft de minister geweigerd om met terugwerkende kracht aan appellante een aanvullende beurs toe te kennen over de periode van september 2015 tot en met juli 2017.
1.3.
Appellante heeft op 5 maart 2018 bij de minister een aanvraag ingediend om bij de vaststelling van de aanvullende beurs geen rekening te houden met het inkomen van haar vader (verzoek om loskoppeling). Bij besluit van 20 juli 2018 heeft de minister dit verzoek afgewezen wegens het ontbreken van een financieel belang. Dit is als volgt gemotiveerd. Aan een verzoek om loskoppeling kan maximaal twee jaar terugwerkende kracht worden verleend. Vanaf augustus 2017 ontvangt appellante een maximale aanvullende beurs en in de periode mei 2016 tot en met juli 2017 heeft zij geen aanvullende beurs aangevraagd.
1.4.
Appellante heeft op 9 maart 2020 opnieuw een verzoek om loskoppeling gedaan. Bij besluit van 10 april 2020 heeft de minister dit verzoek met ingang van 1 april 2018 toegewezen.
1.5.
Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen de bij besluit van 10 april 2020 vastgestelde ingangsdatum van de toewijzing van het verzoek om loskoppeling. Bij besluit van 25 juni 2000 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar ongegrond verklaard onder verwijzing naar artikel 6, tweede lid, aanhef en onder a en b, van het Besluit studiefinanciering 2000 (Bsf 2000).
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Gelet op de van toepassing zijnde regelgeving kan het door appellante op 9 maart 2020 gedane verzoek tot loskoppeling niet leiden tot loskoppeling met ingang van een datum vóór 1 april 2018. Voor toepassing van hardheidsclausule heeft de minister geen aanleiding hoeven zien. De regelgever heeft uitdrukkelijk gekozen voor het verlenen van maximaal twee jaar terugwerkende kracht aan een aanvraag om loskoppeling. De omstandigheid dat gedurende een langere periode voldaan kan zijn, dan wel is, aan een van de in artikel 6, eerste lid, van het Bsf 2000 opgenomen gronden voor loskoppeling is door de regelgever voorzien. Het had op de weg van appellante gelegen om zich eerder tot de minister te wenden. De omstandigheid dat zij niet beschikte over de juiste ondersteuning leidt niet tot een ander oordeel. De minister is verder niet verplicht om de studerende persoonlijk te informeren over de mogelijkheid van loskoppeling. Bovendien heeft appellante al eerder een verzoek tot loskoppeling gedaan, zodat zij al geruime tijd op de hoogte was van deze mogelijkheid. De notitie van het Centraal Planbureau (CPB) van december 2020 over het gebruik van de aanvullende beurs doet niet af aan de keuze van de wetgever.
3. Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank, gelet op de bijzondere omstandigheden van het geval, ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat de minister geen reden heeft hoeven zien om onder toepassing van de hardheidsclausule met ingang van een eerdere datum tot loskoppeling over te gaan. Appellante heeft de volgende bijzondere omstandigheden gesteld. Door het niet verstrekken van een aanvullende beurs in de periode juli 2014 tot en met juli 2017 kwam de toegang tot het onderwijs in het gedrang. Appellante heeft daarbij gewezen op haar licht verstandelijke beperking waardoor zij niet kon werken naast haar opleiding en het niet ontvangen van een ouderlijke bijdrage. Daarnaast heeft appellante gesteld dat haar bijzondere persoonlijke omstandigheden, met name haar licht verstandelijke beperking, maken dat zij aangewezen was op hulp bij het doen van de juiste aanvragen. Appellante heeft verder gesteld dat zij verkeerd is voorgelicht door de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO). Appellante, en haar toenmalige begeleidster, hebben vanaf juli 2014 meerdere keren (telefonisch) contact met DUO opgenomen en appellante is ook een keer bij een servicekantoor van DUO in Arnhem geweest. Zij kregen in die gesprekken steeds te horen dat de vader geacht werd een vrijwillige bijdrage te voldoen en dat appellante niet in aanmerking kwam voor een aanvullende beurs. Kennelijk heeft de toenmalige begeleidster van appellante naar aanleiding van de verstrekte informatie de aanvraag om een aanvullende beurs per september 2015 stopgezet. In die gesprekken heeft appellante informatie over de situatie met haar vader verstrekt maar is zij door DUO niet gewezen op de mogelijkheid van loskoppeling. Ten slotte heeft appellante gewezen op het rapport van het Centraal Planbureau van december 2020 over het niet-gebruik van de aanvullende beurs.
4. De Raad oordeelt als volgt.
4.1.
Een verzoek om loskoppeling op 9 maart 2020 kan gelet op de van toepassing zijnde dwingendrechtelijke bepalingen van de Wsf 2000 (artikelen 1.1, 1.2, 3.14, derde lid, aanhef en onder b) en artikel 6, tweede lid, aanhef en onder a, van het Bsf 2000 niet leiden tot loskoppeling met ingang van een datum gelegen vóór 1 april 2018.
4.2.
Appellante beoogt loskoppeling over de periode juli 2014 tot en met juli 2017. Daarmee wil zij bereiken dat aan haar (ook) over die periode een (maximale) aanvullende beurs wordt verstrekt. Dit kan slechts worden bereikt door, onder toepassing van de hardheidsclausule van artikel 11.5 van de Wsf 2000, af te wijken van het bepaalde in artikel 6, tweede lid, aanhef en onder a (maximaal twee jaar terugwerkende kracht voor datum aanvraag) én b (alleen loskoppeling over een periode waarover een aanvullende beurs is aangevraagd), van het Bsf 2000. Of een afwijking van het bepaalde in artikel 6, tweede lid, aanhef en onder b, van het Bsf 2000 aangewezen is voor de periode september 2015 tot en met juli 2017 komt eerst, en alleen dan, aan de orde indien geoordeeld wordt dat aanleiding bestaat voor toepassing van de hardheidsclausule ten aanzien van het bepaalde in artikel 6, tweede lid, aanhef en onder a, van het Bsf 2000.
4.3.
De Raad is van oordeel dat de minister in de door appellante gestelde bijzondere omstandigheden geen aanleiding heeft hoeven zien om met toepassing van de hardheidsclausule af te wijken van het bepaalde in artikel 6, tweede lid, aanhef en onder a, van het Bsf 2000. Daartoe wordt het volgende overwogen.
4.4.
De grond over de toegang tot het onderwijs is niet relevant voor de vraag of loskoppeling per een eerdere datum aangewezen is. Overigens staat vast dat de toegang tot het onderwijs voor appellante niet in de knel gekomen is. Appellante heeft vanaf juli 2014 doorlopend een opleiding gevolgd en heeft daarvoor zelfs geen gebruik hoeven maken van een rentedragende lening.
4.5.
Appellante heeft haar stelling dat zij, en haar toenmalige begeleidster, destijds (periode juli 2014 tot medio 2015) in gesprekken met medewerkers van DUO gelet op de in die gesprekken vermelde informatie over de relatie met de vader, ten onrechte niet zijn gewezen op de mogelijkheid van loskoppeling, niet met bewijs onderbouwd. De in het hoger beroepschrift weergegeven passages uit de cliëntrapportages (van de instelling waar appellante destijds woonde) van 29 december 2014 en 23 oktober 2017 vormen geen (begin van) bewijs voor die stelling.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door D.S. de Vries, in tegenwoordigheid van E.X.R. Yi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 juli 2023.
(getekend) D.S. de Vries
(getekend) E.X.R. Yi
Zie de uitspraak van 1 november 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3753.