Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2023-08-03
ECLI:NL:CRVB:2023:1498
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
2,382 tokens
Inleiding
22 107 WIA
Datum uitspraak: 3 augustus 2023
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 13 december 2021, 20/4111 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Procesverloop
Namens appellant heeft mr. M. Gümüs, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben nadere reacties ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden door middel van videobellen op 11 mei 2023. Namens appellant is mr. Gümüs verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W. de Rooy-Bal.
Overwegingen
1. De Raad gaat uit van de volgende, voor dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellant is op 28 juni 1991 uitgevallen voor zijn werk. Met ingang van 30 juni 1992 is hem een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend naar de klasse 80 tot 100%. Bij besluit van 24 augustus 1993 is de WAO-uitkering met ingang van 5 oktober 1993 ingetrokken. Appellant heeft geen rechtsmiddel ingesteld tegen dit besluit.
1.2.
Op 19 oktober 2004 heeft appellant gemeld dat sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid sinds 27 december 1996. Bij besluit van 28 januari 2005 heeft het Uwv geweigerd een WAO-uitkering toe te kennen omdat geen sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid als bedoeld in artikel 43a van de WAO sinds 27 december 1996. Dit besluit is tot in hoger beroep in stand gelaten met de uitspraak van de Raad van 22 februari 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BC4968.
1.3.
Bij brief van 21 januari 2014 heeft appellant wederom gemeld dat sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid. Bij besluit van 4 maart 2014 heeft het Uwv appellant meegedeeld dat niet is gebleken van nieuwe feiten en/of omstandigheden die ertoe leiden dat het besluit van 28 januari 2005, dat in rechte vaststaat, onjuist is. Daarom ziet het Uwv geen aanleiding om terug te komen van het besluit van 28 januari 2005. Bij besluit van 17 april 2014 heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van 4 maart 2014 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 7 november 2014 heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 17 april 2014 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 19 februari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:556, heeft de Raad die uitspraak van de rechtbank bevestigd. Hiertoe heeft de Raad, voor zover voor dit geding van belang, het volgende overwogen:
“4.3. (…) Nu op de eerdere aanvraag wegens toegenomen arbeidsongeschiktheid reeds was beslist met het in rechte vaststaande besluit van 28 januari 2005, heeft het Uwv bij het bestreden besluit terecht het standpunt ingenomen dat appellant met zijn huidige aanvraag (tevens) verzoekt om terug te komen van het besluit van 28 januari 2005. Met juistheid heeft de rechtbank overwogen dat niet gezegd kan worden dat het Uwv in redelijkheid niet kon weigeren om terug te komen van dit besluit wat betreft de periode vanaf december 1996 tot aan de datum van de aanvraag van 21 januari 2014, aangezien appellant, met de uiterlijk in de bezwaarfase ingediende stukken, geen nieuwe feiten of omstandigheden heeft aangevoerd in de zin van artikel 4:6 van de Awb (…).
4.4.
Voor zover de aanvraag wegens toename van arbeidsongeschiktheid van 21 januari 2014 eveneens ziet op de periode vanaf de intrekking van de uitkering per 5 oktober 1993, dient deze te worden opgevat als verzoek om terug te komen van het in rechte vaststaande besluit van 24 augustus 1993. Appellant heeft, uiterlijk in de bezwaarfase, evenmin nieuwe feiten of omstandigheden aangevoerd die het Uwv aanleiding zouden hebben moeten geven tot herziening van het besluit van 24 augustus 1993. Van een toereikende motivering uiterlijk in de bezwaarfase, anders dan in de vorm van nieuwe feiten of omstandigheden, van de onjuistheid van dit besluit, die nader onderzoek naar eventuele aanspraken voor de toekomst zou rechtvaardigen, is evenmin sprake. Het hoger beroep slaagt in zoverre dan ook evenmin.”
1.4.
Bij brief van 11 december 2019 heeft appellant opnieuw melding gedaan van toegenomen klachten uit dezelfde oorzaak als waarvoor destijds een Ziektewetuitkering en een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) is toegekend en verzocht hem een WIA-uitkering toe te kennen. Bij besluit van 23 december 2019 heeft het Uwv de aanvraag afgewezen. Het bezwaar van appellant heeft het Uwv bij besluit van 23 juli 2020 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Het Uwv heeft daarbij meegedeeld dat appellant geen recht heeft op een WIA-uitkering omdat hij niet verzekerd was voor de WIA. Voor een eventuele toekenning van een WAO-uitkering komt hij niet in aanmerking omdat geen sprake is van toegenomen klachten uit dezelfde ziekteoorzaak binnen vijf jaar na beëindiging van de uitkering, 5 oktober 1993. 2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3.1.
Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat hij sedert 1992 kampt met fysieke en psychische klachten en beperkingen als gevolg waarvan hij niet in staat is om arbeid te verrichten. Deze klachten en beperkingen zijn in weerwil van de verwachtingen niet verminderd maar juist alsmaar toegenomen. Aangezien hij weinig realiteitsbesef had, heeft hij zich niet gerealiseerd welke behandelingen hij nodig had en was hij niet in staat om zijn belangen te behartigen. Eerst na geruime tijd is geconstateerd dat hij kampt met recidiverende klachten van psychische aard. Bij een dergelijke diagnose wordt vaak pas achteraf een knik in het functioneren vastgesteld, zodat de aanloop naar een behandeling soms jaren kan beslaan. Omdat hij zich in deze periode heeft onttrokken aan zorg, kan hij uit die periode geen medische verklaringen overleggen. Ter ondersteuning heeft hij bij zijn verzoek een eigen verklaring van zijn functioneren overgelegd, alsmede een verklaring van zijn huisarts van 15 januari 2016 met daarin onder meer opgenomen een probleemlijst van januari 1993 tot en met december 2015. Ten onrechte heeft er, ondanks zijn verzoek, geen herkeuring door het Uwv plaatsgevonden.
3.2.
Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Ter zitting van de Raad is vastgesteld dat in geding is de afwijzing van het (hernieuwde) verzoek van appellant om terug te komen van het besluit van 24 augustus 1993 tot intrekking van de WAO-uitkering met ingang van 5 oktober 1993 en het besluit van 28 januari 2005 tot weigering van een WAO-uitkering op grond van artikel 43a van de WAO. Het bestreden besluit is aldus op te vatten dat het Uwv hierop afwijzend heeft beslist met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
4.2.
Dit betekent dat de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden toetst of het bestuursorgaan zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Als het bestreden besluit die toets doorstaat, kan de bestuursrechter niettemin aan de hand van de beroepsgronden tot het oordeel komen dat het bestreden besluit evident onredelijk is (zie de uitspraken van de Raad van 20 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4872, en van 27 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:5115).
4.3.
Onder nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden wordt verstaan feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd.
4.4.
Er is geen aanleiding het onderzoek door het Uwv onzorgvuldig te achten omdat is volstaan met een dossieronderzoek. Het gaat in dit geval immers om een beoordeling of sprake is van nieuwe feiten en/of veranderde omstandigheden ten opzichte van eerder in rechte onaantastbaar geworden besluiten, waarbij een nader medisch onderzoek of een spreekuurcontact door een verzekeringsarts niet noodzakelijk is.
4.5.
Geoordeeld moet worden dat het Uwv het verzoek van appellant om terug te komen van de in 4.1 genoemde besluiten terecht heeft afgewezen, omdat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn, als omschreven in 4.3.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door C. Karman, in tegenwoordigheid van O.N. Haafkes als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 augustus 2023.
(getekend) C. Karman
(getekend) O.N. Haafkes