Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2023-07-26
ECLI:NL:CRVB:2023:1430
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
2,307 tokens
Inleiding
22 1236 ZW
Datum uitspraak: 26 juli 2023
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van
22 maart 2022, 21/4167 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Procesverloop
Namens appellant heeft mr. E.D.B. Groeneweg, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 juni 2023. Appellant en zijn gemachtigde zijn niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.M.M. Schalkwijk.
Overwegingen
1. Appellant heeft voor het laatst gewerkt als kapper voor gemiddeld 2,99 uur per week. Op 14 oktober 2019 heeft hij zich ziekgemeld met lichamelijke en psychische klachten. Het Uwv heeft appellant bij besluit van 6 december 2019 een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend. In het kader van een eerstejaars ZW-beoordeling (EZWb) is na onderzoek door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige vastgesteld dat appellant niet in staat is zijn eigen werk te verrichten, maar is wel vastgesteld dat appellant nog 75,95% van zijn zogeheten maatmaninkomen zou kunnen verdienen. Overeenkomstig die conclusies heeft het Uwv heeft bij besluit van 8 januari 2021 de ZW-uitkering van appellant met ingang van 9 februari 2021 beëindigd, omdat hij meer dan 65% kan verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij beslissing op bezwaar van 9 september 2021 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen een zogenoemde Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 8 september 2021 en rapporten van een arts bezwaar en beroep en van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.
2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank voldoen de verzekeringsgeneeskundige rapporten aan de voorwaarden dat ze op een zorgvuldige manier tot stand zijn gekomen, geen tegenstrijdigheden bevatten en voldoende begrijpelijk zijn. Niet is gebleken dat de (verzekerings)artsen van het Uwv onvoldoende rekening hebben gehouden met onder meer de uit de longklachten en het allergisch astma van appellant voortvloeiende beperkingen. De arts bezwaar en beroep heeft toegelicht dat vanuit de aard en ernst van de pulmonale problematiek niet is te verklaren dat enkel het inademen van geuren bij appellant leidt tot een toename van astmatische klachten. De longarts heeft allergisch astma bij appellant vastgesteld en een allergie voor huisstofmijt en gras met normalisering van de longfunctie na start met inhalatiemedicatie, maar geen hyperreactiviteit van de longen bij het inademen van geuren vastgesteld. Daarom kan hiervoor geen beperking in de FML worden aangenomen. Zelfs als appellant wel last zou hebben van deze hyperreactiviteit, dan wordt dit onderdrukt met inhalatiemedicatie. Uit voorzorg zijn beperkingen aangenomen ten aanzien van blootstelling aan bijtende dampen, waardoor in voldoende mate rekening is gehouden met stof, gas, rook en dampen. De rechtbank heeft deze toelichting van de arts bezwaar en beroep gevolgd. Over de beoordeling van Calder Werkt heeft de rechtbank, met het Uwv, overwogen dat de arts van Calder Werkt niet de standaard Duurbelastbaarheid in arbeid en het verzekeringsgeneeskundig beoordelingskader heeft gehanteerd. Mede omdat de rechtbank niet heeft getwijfeld aan de conclusies van de arts bezwaar en beroep, heeft zij het verzoek van appellant om een onafhankelijke verzekeringsarts in te schakelen, afgewezen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep verder voldoende gemotiveerd dat de geselecteerde functies geschikt zijn voor appellant. In de functie van chauffeur heftruck kan zaagstof in de werkomgeving voorkomen, maar dit is wezenlijk anders dan het inademen van bijtende dampen zoals chloor waar de beperking op stof, rook, gassen en dampen op ziet.
3.1.
In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat, gelet op de hoeveelheid respiratoire klachten die appellant heeft, ten onrechte is aangenomen dat er geen medische reden is dat appellant geen mondmasker kan dragen. In dit verband heeft appellant erop gewezen dat geen van de artsen van het Uwv hem lichamelijk heeft onderzocht. De beperking op stof, rook, gassen en dampen is verder ten onrechte beperkt tot een werkomgeving met forse atmosferische belasting, omdat appellant ook bij minder forse belastingen een onevenredig hoog risico loopt op ademhalingsproblemen. Appellant heeft in hoger beroep herhaald dat de geselecteerde functies niet geschikt zijn voor hem. Gelet op zijn respiratoire aandoeningen en kortademigheid is onbegrijpelijk dat functies worden geselecteerd waarin met een mondmasker moet worden gewerkt, terwijl de arts van Calder Werkt hem daarvan heeft vrijgesteld. Ten onrechte heeft de rechtbank volgens appellant impliciet geoordeeld dat geen atmosferische, althans (te) hoge (prikkelende) stofbelasting kan voorkomen in de geselecteerde functies. Fijn zaagstof wordt genoemd bij de functie chauffeur heftruck in een zaagfabriek en bij de functie naaister gaat het om het schoonblazen van werkplek/naaimachines van stofresten met een persluchtpistool. Ten onrechte heeft de rechtbank verder impliciet geoordeeld dat zijn fibromyalgie het werk in de geselecteerde functies niet in de weg staat. Appellant heeft de Raad verzocht om een onafhankelijke verzekeringsarts en een onafhankelijke arbeidsdeskundige te benoemen.
3.2.
Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen, onder verwijzing naar een rapport van 23 maart 2023 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep.
4. De Raad oordeelt als volgt.
4.1.
Op grond van artikel 19aa, eerste lid, van de ZW heeft een verzekerde zonder werkgever, na 52 weken ongeschiktheid tot werken, recht op ziekengeld als hij nog steeds ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid en hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Op grond van artikel 19aa, vijfde lid, van de ZW wordt onder het maatmaninkomen verstaan hetgeen gezonde personen met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan met arbeid gewoonlijk verdienen. Op grond van artikel 19ab, eerste en derde lid, van de ZW wordt het percentage van het maatmaninkomen dat de verzekerde kan verdienen, bedoeld in artikel 19aa van de ZW, vastgesteld op basis van een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek en wordt onder arbeid als bedoeld in artikel 19aa van de ZW verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe een verzekerde met zijn krachten en bekwaamheden in staat is. Voor de beoordelingssystematiek waarmee de verdiencapaciteit na het eerste ziektejaar wordt bepaald, wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de huidige uitvoeringssystematiek van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, waarbij aan de hand van geschikte functies wordt vastgesteld of de betrokkene beschikt over resterende verdiencapaciteit (zie de uitspraak van de Raad van 30 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4920).
4.2.
In geschil is de vraag of het Uwv terecht appellant met ingang van 9 februari 2021 in staat heeft geacht meer dan 65% te verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd en of het Uwv de ZW-uitkering van appellant terecht heeft beëindigd.
4.3.
De gronden die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd zijn in essentie een herhaling van wat hij in beroep tegen de medische onderbouwing van het bestreden besluit heeft aangevoerd. De rechtbank heeft deze gronden in de aangevallen uitspraak gemotiveerd besproken. Appellant heeft in hoger beroep geen medische gegevens ingebracht die tot een ander oordeel leiden dan de rechtbank heeft gegeven. Het oordeel van de rechtbank en de overwegingen die tot dit oordeel hebben geleid worden daarom geheel onderschreven.
4.4.
Daaraan wordt nog toegevoegd dat de arts bezwaar en beroep in het rapport van 23 maart 2023 inzichtelijk heeft gemotiveerd waarom een lichamelijk spreekuur geen meerwaarde had, onder meer door te wijzen op de al aanwezige informatie van de longarts in combinatie met de anamnestisch verkregen gegevens.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier, in tegenwoordigheid van C.G. van Straalen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 juli 2023.
(getekend) H.G. Rottier
(getekend) C.G. van Straalen