Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2023-07-20
ECLI:NL:CRVB:2023:1406
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
2,313 tokens
Inleiding
21 1895 WAO
Datum uitspraak: 20 juli 2023
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 26 april 2021, 19/2085 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Procesverloop
Namens appellante heeft mr. M. Gümüs, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 juni 2023. Mr. Gümüs is namens appellante door middel van telefoonverbinding verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. J.C. van Beek.
Overwegingen
1.1.
Aan appellante is met ingang van 5 november 1998 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
1.2.
Bij besluit van 17 november 2011 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellante met ingang van 6 december 2007 ingetrokken op de grond dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante minder dan 15% bedraagt. Bij besluit van 12 december 2011 heeft het Uwv van appellante een bedrag van € 52.710,64 teruggevorderd aan over de periode van 6 december 2007 tot en met 30 september 2011 onverschuldigd betaalde WAO-uitkering. Het bezwaar tegen deze besluiten is bij besluit van 5 december 2012 ongegrond verklaard. Bij besluit van 14 mei 2013, na bezwaar gehaafd bij besluit van 16 september 2013, heeft het Uwv appellante een boete opgelegd van € 2.269,- wegens schending van de inlichtingenverplichting. Na beroepsprocedures heeft de Raad in hoger beroep bij uitspraak van 18 november 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4120, de beroepen gegrond verklaard, het besluit van 5 december 2012, voor zover daarbij het bezwaar tegen de besluiten van 17 november 2011en 12 december 2011 ongegrond is verklaard, en het besluit van 16 september 2013 vernietigd en de besluiten van 17 november 2011, 12 december 2011 en 14 mei 2013 herroepen. Naar het oordeel van de Raad is niet voldaan aan de voorwaarden om met terugwerkende kracht tot intrekking van de WAO-uitkering en tot terugvordering te besluiten. Hiermee is tevens de grondslag aan de boeteoplegging komen te ontvallen.
1.3.
Bij brief van 1 juni 2017 heeft appellante het Uwv verzocht om vergoeding van de materiële en immateriële schade die zij als gevolg van de in 2011 genomen besluiten heeft geleden. Appellante heeft aangevoerd dat zij door de onrechtmatige besluitvorming veel kosten en veel schulden heeft moeten maken en dat haar psychische klachten zijn toegenomen.
1.4.
Bij besluit van 23 oktober 2018 heeft het Uwv het verzoek van appellante om vergoeding van schade afgewezen. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit is bij besluit van 19 maart 2019 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3.1.
Appellante heeft in hoger beroep haar vordering van vergoeding van door haar geleden materiële en immateriële schade gehandhaafd.
3.2.
Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.
4. De Raad oordeelt als volgt.
4.1.
Op 1 juli 2013 is de Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten (Stb. 2013, 50) in werking getreden. Op grond van het daarin opgenomen overgangsrecht blijft op deze zaak het recht van toepassing zoals dat gold vóór 1 juli 2013.
4.2.
Het is vaste rechtspraak dat de bestuursrechter bij de beoordeling van een verzoek om schadevergoeding zoveel mogelijk aansluiting zoekt bij het civielrechtelijke schadevergoedingsrecht (zie onder meer de uitspraak van 16 mei 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1466).
4.3.
Niet in geschil is dat het besluit van 5 december 2012, voor zover daarbij is beslist op het bezwaar tegen de besluiten van 17 november 2011 en 12 december 2011, en het besluit van 16 september 2013 onrechtmatige besluiten zijn en dat de door appellante geleden schade die door deze besluiten is veroorzaakt in beginsel voor vergoeding door het Uwv in aanmerking komt. Appellante heeft met een schadestaat van 7 december 2017 haar schadeverzoek gespecificeerd. Ter zitting van de Raad is vastgesteld dat het nog gaat om de volgende schadeposten
1. Vermogensschade als gevolg van afgesloten leningen € 9.000,-2. Immateriële schade “ 5.000,-3. Kosten vervoer vanwege bezoeken aan psycholoog, huisarts en advocaat “ 500,-
4. Telefoonkosten “ 250,-
Vermogensschade
4.4.
Deze door appellante aangevoerde geleden schade is terug te voeren op een tijdelijke verlaging van het inkomen als gevolg van de onrechtmatige besluiten, waardoor zij leningen heeft moeten afsluiten. Artikel 6:119, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt dat schadevergoeding, verschuldigd wegens vertraging in de voldoening van een geldsom, bestaat in de wettelijke rente van die som over de tijd dat de schuldenaar met de voldoening daarvan in verzuim is geweest. De strekking van deze bepaling brengt mee dat de daarin aangewezen gefixeerde hoogte van de schade niet opzij kan worden gezet op de grond dat de rechthebbende meer schade heeft geleden door het onrechtmatige besluit dan overeenkomt met de wettelijke rente. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 24 maart 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:789. Met de vergoeding van de wettelijke rente wordt geacht alle schade, ontstaan door de vertraging in de voldoening van een geldsom, te zijn voldaan. Zie ook de uitspraak van 26 september 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2932. Onbetwist is dat het Uwv aan appellante de wettelijke rente heeft toegekend over de nabetaling van de WAO-uitkering. Hiermee heeft het Uwv de door appellante gestelde schade als gevolg van het niet tijdig uitbetalen van de WAO-uitkering vergoed. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat er daarom geen grondslag is voor afzonderlijke vergoeding van de schade bestaande in de door appellante gestelde leningen tot een bedrag van € 9.000,-. Wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, maar in essentie een herhaling is van wat bij de rechtbank naar voren is gebracht, geeft geen aanleiding voor een ander oordeel.
Immateriële schade
4.5.1.
Voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, heeft een benadeelde overeenkomstig artikel 6:106, aanhef en onder b, van het BW recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding indien de benadeelde in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, van het BW is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is nodig dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Zie onder meer het arrest van de Hoge Raad van 15 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:376. Voor vergoeding van immateriële schade is onvoldoende dat sprake is van min of meer sterk psychisch onbehagen en van zich gekwetst voelen door het onrechtmatig genomen besluit (uitspraak van 14 oktober 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3348).
4.5.2.
Appellante heeft ter onderbouwing van haar verzoek om vergoeding van immateriële schade aangevoerd dat sprake is van geestelijk leed en gederfde levensvreugde. Volgens appellante zijn door de onrechtmatige besluitvorming haar psychische klachten en beperkingen toegenomen, zodat zij zelfs een periode is opgenomen. Ter ondersteuning heeft zij gewezen op een verklaring van I-Psy van 18 februari 2015. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft beoordeeld of appellante psychische schade heeft ondervonden van de onrechtmatige besluitvorming. In zijn rapport van 3 juli 2018 heeft deze arts, gelet op de beschikbare medische informatie, geconcludeerd dat appellante bekend is met psychische problematiek, maar dat niet is gebleken van ernstige psychische klachten als gevolg van de besluitvorming.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door E. Dijt als voorzitter en L.A. Kjellevold en I.E. Voorberg als leden, in tegenwoordigheid van C.G. van Straalen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 juli 2023.
(getekend) E. Dijt
(getekend) C.G. van Straalen