Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2023-07-20
ECLI:NL:CRVB:2023:1396
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
1,205 tokens
Inleiding
20 4176 WMO15
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 12 november 2020, 19/6627 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (college)
Datum uitspraak: 20 juli 2023
Procesverloop
Met een besluit van 17 mei 2019 heeft het college op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) aan appellante voor de periode van 19 mei 2019 tot en met 23 mei 2021 een maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning verstrekt. Appellante heeft daartegen bezwaar gemaakt. Het college is met een besluit van 10 oktober 2019 (bestreden besluit) bij de verstrekte maatwerkvoorziening gebleven.
Appellante heeft tegen dat besluit beroep ingesteld. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak het beroep ongegrond verklaard.
Namens appellante heeft mr. M.P. de Witte, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 juni 2023. Partijen zijn niet verschenen.
Overwegingen
Samenvatting
Deze uitspraak gaat over de vraag of het college, naast de verleende ondersteuning, ook maatschappelijke ondersteuning had moeten verstrekken voor het doen van de boodschappen. De Raad oordeelt dat het college hiervoor terecht geen ondersteuning heeft verstrekt. Appellante kan namelijk gebruik maken van een boodschappendienst.
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante, geboren in 1969, is bekend met psychische en lichamelijke klachten. Zij heeft in verband hiermee een aanvraag ingediend voor ondersteuning op grond van de Wmo 2015.
1.2.
Deze aanvraag heeft geleid tot de in het procesverloop weergegeven besluitvorming. Het college heeft in het bestreden besluit vermeld dat geen aanleiding bestaat om aan appellante maatschappelijke ondersteuning voor het doen van boodschappen te verstrekken. De algemeen gebruikelijke boodschappendienst levert een passende bijdrage.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak, voor zover van belang, overwogen dat de boodschappendienst een passende bijdrage levert. Niet is gebleken dat appellante hulp nodig heeft bij het opstellen van de boodschappen. Dit is ook niet onderbouwd met medische stukken. Verder is niet gebleken dat appellante niet in staat is om hulp van iemand die zij kent in te schakelen bij het bestellen van boodschappen. Uit het gespreksverslag komt naar voren dat appellante in staat is haar buurman in te schakelen om boodschappen voor haar te doen. Daarnaast blijkt daaruit dat appellante veel familie heeft en dat zij haar proberen te helpen waar zij kunnen.
Het standpunt van appellante
3. Appellante heeft betoogd dat de boodschappendienst voor haar geen optie is. Zij kan niet mee om boodschappen te doen en is ook niet in staat om onbekende personen voor haar boodschappen te laten doen. Zij moet een vaste persoon hebben die zij de boodschappen kan laten doen.
Beoordeling
4.1.
De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de overwegingen waarop dat oordeel berust. De Raad voegt hier het volgende aan toe.
4.2.
Appellante heeft in hoger beroep herhaald wat zij bij de rechtbank heeft aangevoerd. Daaraan heeft zij toegevoegd dat zij niet mee kan om boodschappen te doen en geen onbekende personen voor haar boodschappen kan laten doen. Zij heeft deze stelling niet onderbouwd en het procesdossier biedt hiervoor geen enkel aanknopingspunt. De Raad volgt deze stelling daarom niet.
Conclusie
4.3.
Het voorgaande betekent dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend als voorzitter en A. van Gijzen en J.C. Boeree als leden, in tegenwoordigheid van M. Dafir als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 juli 2023.
(getekend) B.J. van de Griend
(getekend) M. Dafir